Dec 252011
 

Bij thuiskomst zie ik mijn buurvrouw in het gras zitten. Tuinieren is haar lust en leven, ook al is ze 78 en loopt ze voorovergebogen met een stok, vanwege een vergroeide rug. Ik groet haar en vraag of ze aan het uitrusten is van vermoeiende handelingen. Ze groet terug en antwoordt verlegen: “eigenlijk niet, ik ben gevallen en kan niet meer overeind komen.”

Ik schrik, vraag me af hoe lang ze daar al zit en bied mijn hulp aan. Haar verlegenheid wordt groter, zeker wanneer het mij niet lukt en ze mij moet vragen haar man achter in de tuin te halen. Hij had zich al afgevraagd waarom de koffie zo lang op zich liet wachten en we lopen samen naar voren. Wanneer ze ons, maar eigenlijk hem in het oog krijgt begint ze te huilen. “Huil maar niet”, zegt de 79-jarige echtgenoot, hij pakt haar van achteren onder de armen en tilt haar voorzichtig op.

Haar broek is naar beneden gezakt en snikkend vraagt ze hem om deze op te hijsen. Hij doet dat, maar zegt zacht in haar oor dat hij vroeger veel liever het tegenovergestelde met haar broeken deed. Dan breekt de lach door haar snikken heen.