Apr 262010
 

Prins Willem van Oranje Nassau (1533-1584) is, anders dan de huidige koninklijke familie,  nooit koning geweest. Hij was de belangrijkste, rijkste en politiek meest vooraanstaande aristocratische figuur van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Dit agglomeraat bestond uit zeventien gewesten cq. provinciën, die zich uitstrekten over het huidige Nederland, België, Luxemburg en delen van Frankrijk. Brussel was de hof- en hoofdstad. De prins was schatplichtig aan Filips II (1527-1598), landvoogd, oftewel hoogste gezaghebber van het land. Daarnaast was Filips eveneens koning van Spanje en het Spaanse wereldrijk. De landvoogd stelde bij zijn afwezigheid, want hij regeerde zijn rijk vanuit Madrid, vertrouwelingen aan die in de politieke hiërarchie boven Oranje stonden. De prins handelde namens hem. Problematisch was dat hij zich niet kon vinden in deze situatie, want hij wilde zelf het beleid bepalen en de macht uitoefenen.

Filips verleende hem hoge, vooraanstaande politiek-militaire functies. Dit kwam grotendeels omdat de jonge Oranje zich had bewezen als een talentvolle, intelligente en tactvolle politicus. Hij werd uitgeroepen tot stadhouder van onder andere Holland en Vlaanderen. Dat wil zeggen dat hij opperbevelhebber van het leger en de vloot van deze gewesten was. Hij was eveneens gouverneur van onder andere het rijke Vlaanderen en enkele andere provinciën. Maar hij diende altijd anderen en was behoudens in zijn eigen gebieden, nooit de baas.

Daarbij zat hij in een onmogelijke spagaat. Want hij moest zowel Filips’ belangen  verdedigen, als pal staan voor de autonomie van zijn eigen gewesten tegen teveel centralisatie uit Brussel c.q. Madrid. Met het dragen van meerdere petten, kreeg de prins allerlei gewetensbezwaren, of verkeerde hij op zijn minst in een onmogelijke onderhandelingspositie. Hij wilde loyaal zijn aan Filips, aan wie hij zijn carrière mede te danken had, maar hij wilde dus ook het beleid bepalen. Hij vond het niets dat invloedrijke ‘Spanjaarden’ de rijke Nederlanden op politiek, bestuurlijk en geestelijk terrein domineerden. Oranje en alle andere leiders van de gewesten steggelden met de Spaansgezinden over belastingbetaling aan Madrid. Zij wilden dit niet en traineerden de betalingen op allerlei mogelijke manieren.

De Spaansgezinden volgden de politieke lijn zoals Filips die voorstond nauwgezet. In de Raad van State, de federale regering van de Republiek, dicteerden zij het debat en de besluitvorming. Oranje  beklaagde zich er in een briefwisseling met Filips over dat hij en de andere edelen tijdens deze vergaderingen doelbewust werden buitengesloten, ofschoon ze er  wel fysiek bij aanwezig waren. Na veel vijven en zessen honoreerde hij de klachten door de Spaansgezinden uit de raad te verwijderen.

Aartsbisschop Granvelle, geboren in de Republiek overigens, trad volgens de reglementen, zoals Madrid die opstelde, onverkwikkelijk op tegen niet-katholieken. De  Reformatie woedde nog in alle hevigheid, en de katholieke Spanjaarden verzetten zich met hand en tand tegen het opkomende protestantisme dat een schisma in de kerk veroorzaakte. Het mocht niet openlijk worden beleden. Met een stroom van plakkaten, waarin mensen werden aangespoord om protestanten aan te geven bij de autoriteiten, werd jacht op hen gemaakt.

De prins en vele andere Nederlandse edelen hadden een libertijnse geloofsbeleving en veroordeelden de repressie van andersdenkenden; ze pleitten voor religievrede. Volgens dit ideaal zouden katholieken en protestanten ieder in hun eigen kerken in harmonie naast elkaar leven. De overwegend rooms-katholieke bevolking dacht er grotendeels hetzelfde over.

De Spaansgezinden zagen weinig in het voorstel. Voor het uitbreken van de Beeldenstorm richtte landvoogdes Margaretha van Parma, Filips’ vervanger in Brussel, de Inquisitie op. Deze kerkelijke rechtbank veroordeelde ketters. De straf bestond er negen van de tien keer uit dat de veroordeelde protestanten zich openlijk moesten bekeren tot het katholicisme, waarmee in veel gevallen de rechtszaak werd gesloten. Op aandringen van een groep lagere edelen, waar de prins geen deel van uitmaakte, schortte zij de plakkaten en het werk van de Inquisitie op. Zij toonde zich in eerste instantie welwillend door te luisteren naar hun grieven en door het harde beleid te matigen. Uitoefening van het protestantisme bleef verboden.

Een kleine harde kern van vaak nog geen honderd protestanten ging de tegemoetkoming  niet ver genoeg. Zij eisten het recht op het bestaan van protestantse kerken. Zij vernielden tijdens de Beeldenstorm – vanaf augustus 1566 tot het voorjaar van 1567 – her en der in het land het interieur van katholieke godshuizen, omdat zij deze voor eigen diensten wilden gebruiken.

Deze onlusten dwongen de Spanjaarden om hard op te treden. Zo belegerde het Spaanse leger, dat was opgetrommeld om chaotische toestanden de kop in te drukken, tijdens het rumoer tal van protestantse steden. Na de capitulatie bekeerden steden als bijvoorbeeld Doornik en Valenciennes zich publiekelijk tot het katholicisme. Filips wilde orde in het land. Daarbij toonde hij wie de baas was, en dat Oranje – en anderen – zich geen illusies hoefden te maken ten aanzien van de machtsverhoudingen.

Oranje dook na het herstel van de openbare orde onder in zijn ouderlijk huis in Duitsland, kasteel de Dillenburg. Uit de greep van de autoriteiten stookte hij van daaruit de kamp weer op. Daarmee begon een illegale strijd vanuit ballingschap tegen het wettige gezag van de landvoogd. Later is deze strijd de Opstand genoemd, voorheen bekend als de Tachtigjarige Oorlog. In deze eerste jaren kon de strijd op weinig steun van de prinsen en leiders in de omringende landen rekenen.

De prins schilderde een weerzinwekkend beeld van het zogenaamde brute en inhumane Spaanse optreden. Enerzijds deed hij dit in vele briefwisselingen die hij voerde met rijke en bevriende Duitse vorsten, die elk over hun eigen gebieden heersten. Anderzijds deden hij en zijn vertrouwelingen dit in een niet aflatende stroom pamfletten, die bedoeld waren om de bevolking aan zijn zijde te krijgen. Oranje stelde bijvoorbeeld dat de hertog van Alva, de vervanger van Parma, met zijn leger de protestanten hardhandig onderdrukte en groteske bloedbaden aanrichtte door hen massaal te vermoorden. De pamfletten sloegen zover bekend niet aan bij de bevolking, aangezien zij zich niet achter hem schaarde.

Het geschetste beeld was gechargeerd en bezijden de waarheid. De Spanjaarden veroordeelden in deze jaren uiteindelijk zo’n 9.000 protestanten, waarvan er ongeveer 1.200 omgebracht zijn. De meesten van hen mochten zich zoals gezegd publiekelijk bekeren tot het katholicisme, waarna ze in vrijheid werden gesteld. Het geringe percentage ter dood veroordeelden, op een bevolking van 1,5 miljoen, werd vooral bestraft omdat ze de openbare orde hadden gebruskeerd met gewelddadigheden. Niet omdat zij protestants waren. Filips had geen belang bij ontwrichting van de Republiek, omdat dat de florerende economie zou schaden.

Hij confisqueerde de landgoederen en kastelen van Oranje. De prins verloor zijn inkomsten uit zijn landbouwgronden, de belastingopbrengsten en pachtgelden in zijn gewesten. Hij werd gesommeerd om terug te keren naar het hof in Brussel, om zich te laten veroordelen voor insubordinatie. Want hij had het protestantisme niet veroordeeld en tegengehouden zoals Filips zijn politici had opgedragen.

Helemaal op zwart zaad zocht hij naar medestanders onder de Duitse prinsen in zijn illegale strijd. Hij beweerde dat de Spanjaarden geen rekening hielden met de Nederlandse wetgeving, die zowel het protestantisme als het rooms-katholicisme toestond. Hij stelde dat hij moest vechten voor de vrijheid en de welvaart van de burgers. De realiteit was dat protestanten indien zij hun geloof geheim hielden met rust werden gelaten. Hij beweerde verder dat Filips de protestantse Duitse vorstendommen zou willen binnenvallen. Uit niets bleek dat hij dat van plan was. Het waren merendeel drogredenen van de radeloze prins om zoveel mogelijk steun te verwerven.

Bevriende vorsten stelden hem een enkele keer geld en manschappen in het vooruitzicht. In naam van Oranje is er inderdaad een slag in april 1568 in Groningen, bij Heiligerlee, geleverd met de Spanjaarden. Die overigens verrassend genoeg door de troepen van Oranje werd gewonnen.

Maar over het algemeen reageerden de vorsten uiterst terughoudend. Zij weigerden de verzoeken van de demagogisch opererende prins. Zij drukten hem, vooral in brieven, op het hart om hun diverse diplomatieke bemiddelingspogingen in het conflict af te wachten. De Duitse vorsten en de Keizer in Wenen weigerde oorlog te voeren met Filips, die zij beschouwden als de wettige gezaghebber van de Republiek. De kwestie was geen oorlog waard, vonden zij. Dat lijkt terecht, omdat de orde was hersteld en er geen sprake was van grove schendingen door de autoriteiten. Filips voerde, ondanks dat hij zijn beleid diverse malen had gematigd en aangepast na kritiek van Oranje en anderen, in de ogen van de prins slecht beleid. De Duitse vorsten vonden dat hij zich moest schikken naar het wettige gezag.

Door het gebrek aan steun van de machtige heren kon Oranje feitelijk niets uitrichten tegen het krachtige Spaanse leger. Hij heeft nog een paar keer slag geleverd met de Spaanse troepen, maar uiteindelijk bleef hij begin jaren zeventig berooid achter, ontdaan van zijn politieke invloed en zijn grote rijkdom. Hoe het dan mogelijk is dat hij midden jaren zeventig opnieuw de voortrekker werd in de Nederlandse Opstand en hoe hij in het collectieve geheugen van veel Nederlanders bekend staat als Vader des Vaderlands, mag worden uitgezocht.

  One Response to “Willem van Oranje ving bot in zijn strijd tegen Filips II”

  1. Hoe Oranje dat heeft gedaan wil ik nu wel weten. Is dat ergens beschreven?

    Wat wordt er bedoeld met ‘na veel vijven en zessen’?

    Mooi stuk,

    Groet

 Leave a Reply

(vereist)

(vereist)