Okt 022012
 

Tegen wateroverlast kan men op vier manieren iets doen.

Ten eerste kan men onmiddellijk polders evacueren of zandzakken op dijken leggen of dijken juist doorsteken om het water stroomopwaarts ruimte te geven. Eigenlijk is het dan al te laat.

Uit zulke ervaringen kan men leren en, ten tweede, op korte termijn voorzorgsmaatregelen treffen: dijken, dammen en sluizen bouwen, sloten graven, polders bemalen en stormvloedkeringen in waterwegen plaatsen, in de hoop dat wat eenmaal gebeurd is nu niet meer kan gebeuren. Helaas, zo leert men, hebben deze lokale maatregelen ook negatieve invloed en verhogen stroomafwaarts juist de kans op overstromingen.

Daarom maakt men, ten derde plannen om op middellange termijn het water stroomopwaarts meer ruimte te geven of extra geulen te graven of geulen te verdiepen om het water beter door te laten stromen. Kenmerkend is hier dat men niet alleen lokaal tegen concrete overlast optreedt maar een groter gebied in samenhang beschouwt en dat men bereid is om ingrepen van de tweede aard weer ongedaan te maken, bijvoorbeeld door dijken terug te verleggen.

Helaas blijft het water wassen. De poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt, en het regent steeds meer. Dit gebeurt zo langzaam dat de verandering zich onttrekt aan ons gevoel, onze intuïtie en ervaring. We kunnen ze heel goed negeren, en de politiek in de meeste landen doet dat ook. Alleen wie bereid is om resultaten van de wetenschap met ijzeren logica toe te passen komt tot de conclusie dat we, ten vierde, nu iets tegen de klimaatverandering moeten doen om op lange termijn catastrofen te voorkomen. Het verraderlijke is dat de maatregelen die we nu moeten treffen schijnbaar niets met zee, rivieren en regen te maken hebben, maar met stoken, verkeer, productie van goederen, en dat alleen een globale aanpak helpt. Dat zo’n globale aanpak succes heeft, zullen we nooit op korte of middellange termijn ervaren. Alleen als het zonder zo’n aanpak tot een catastrofe komt, zullen we het weten, maar dan komt berouw te laat. Als er nog iemand is om te berouwen.

Rijkswaterstaat is competent wat alle vier deze manieren betreft en heeft computermodellen om de uitwerking van ingrepen te voorspellen. Nederland is gewend om naar Rijkswaterstaat te luisteren. Ook zijn er waterschappen, die naar grotere samenhangen op middellange termijn kijken.

Tegenwoordig worden we niet alleen door water bedreigd maar ook door geld. Geld bestaat al lang niet meer uit onschuldige muntjes die van eigenaar wisselen. Geld, genoemd “de financiële markten”, is tegenwoordig net als water een mondiaal systeem dat met alles op deze wereld samenhangt, zijn eigen dynamiek heeft en door niemand meer helemaal begrepen wordt. Financiële catastrofen kunnen onmetelijke schade aan hele landen en bevolkingen toevoegen.

Geld stroomt en wervelt daarbij veel sneller dan water. De computersystemen van de financiële markten speculeren met de maximale snelheid van computers. Dat betekent dat men hun gedrag niet door computersimulaties kan voorspellen. Computers kunnen niet sneller dan computers zijn.

Tegen de gevaren van het huidige geldsysteem kan men op precies dezelfde vier manieren iets doen als tegen de gevaren van water.

Ten eerste kan men onmiddellijk ingrijpen door de handel een poosje stil te leggen, een munt te devalueren, nieuw geld te drukken. De huidige pogingen om banken of muntsoorten te redden hebben veel van zandzakken en dijkdoorbraken. Desnoods geven we Griekenland maar op om erger te voorkomen.

Ten tweede praten financiële mensen nu steeds vaker van “instrumenten” die ze hebben bedacht en afgesproken om toekomstige problemen te voorkomen. Een nieuw dijkje hier, een dammetje daar en een grote poort die men kan openen en sluiten, dat soort dingen. Ze geloven daarmee op korte termijn alles onder controle te hebben en zijn tevreden. Maar elke lokale ingreep dreigt elders weer voor nieuwe problemen te zorgen. Helaas reikt de visie van financiële mensen en economen niet verder dan dit.

Gelukkig durven nu her en der politici verder te kijken en ingrepen voor te stellen die de financiële markten op middellange termijn in toom moeten houden: demping van hoogfrequente computerhandel; belasting op transacties; verbod van bepaalde derivaten; boete op storneren van transacties omdat steeds vaker transacties alleen aangevraagd worden om de markt te beïnvloeden, niet omdat men ze werkelijk wil uitvoeren; verbod op “naked short selling”. Maar al deze voorstellen wordt meteen de kop ingedrukt door financiële mensen, die beweren het beter te weten, net zo als bij elke ingreep in de waterhuishouding ergens een betrokken boer ertegen is. Wie boert wil doorgaan met boeren en heeft geen boodschap aan hinderlijke betutteling op zijn erf. Zoiets als Rijksgeldstaat en geldschappen is er niet, en dat zullen we gauw betreuren.

De nu voorgestelde maatregelen op middellange termijn zijn beslist nodig, net als bij het water, maar we moeten ook leren dat we in de economie met een mondiale klimaatverandering te maken hebben die op lange termijn bestreden moet worden. Het hele denken over markten en onuitputtelijke groei deugt namelijk niet. We zijn wereldwijd in de greep van een nieuwe geldreligie die ethisch onverantwoord is, de aarde steeds verder uitput, onze beschaving steeds meer uitholt, de mensen steeds dommer maakt en dus steeds meer op een catastrofe afstuurt. En net als met het klimaat merken we dit niet. Intuïtie, gevoel, ervaring laten ons in de steek. We moeten iets aan onze ethiek van steeds meer doen ook daar, waar het schijnbaar niets met geld te maken heeft, en dit wereldwijd, net als bij het klimaat. Anders komt de catastrofe, en dan is het te laat voor berouw.

Hanno Wupper is universitair hoofddocent Informatica in Nijmegen, onderwijst toegepaste logica en is auteur van het boekje Geld und gut . De titel van de Nederlandse vertaling door Frans Schütt luidt Geld en goedDaar wordt uitgelegd wat met “geldreligie” bedoeld is en wat de rol van de staat zou moeten zijn.

 Leave a Reply

(vereist)

(vereist)