Sep 102012
 

( Ik wil de lezer erop wijzen dat dit artikel een destillaat is van een tweetal hoofdstukken uit het boek Het kwaad van Rüdiger Safranski.)

In het gelijknamige Bijbelverhaal wordt Job de speelbal tussen God en Satan. De trotse God en de sceptische Satan experimenteren met hem onder het mom van een weddenschap. De duivel haalt God over Job op de proef te stellen door hem eerst zijn rijkdom en vervolgens zijn gezondheid te ontnemen. De vraag die aan de weddenschap verbonden is luidt: Volhardt Job in zijn vroomheid of zal hij bezwijken onder de lijdensdruk van zijn bestaan?

De ellende begint. Het is gedaan met de  rijkdom van Job. De Sabeeërs en Chaldeeën doden zijn knechten en stelen zijn ossen, ezels en kamelen. Vuur uit de hemel verbrandt zijn schapen en herders. Een woestijnwind zorgt ervoor dat het dak van zijn huis instort, waarbij al zijn kinderen de dood vinden. Daarna is de gezondheid van Job aan de beurt. Hij krijgt van top tot teen zweren en blaren. Zelfs zijn vrouw spreekt zich openlijk uit tegen zijn vroomheid.

Na al deze ellende wordt Job door zijn drie vrienden, Elifaz, Bilbad en Zofar, in het beklaagdenbankje gezet, terwijl zij eigenlijk waren gekomen om hem te bemoedigen en te troosten. De theologie waarop zij zich beroepen gaat uit van een goede en rechtvaardige God: God is almachtig, hij heeft de wereld geschapen. Met deze wijsheid aan hun zijde is het volgens de vrienden van Job mogelijk het kwaad in de wereld te verklaren. Job is zondig, anders zou God hem niet bestraft hebben. Job echter weigert de verantwoordelijkheid te accepteren voor zonden die hij niet heeft begaan. Tegenwoordig zouden wij de dialoog tussen Job en zijn drie vrienden aanduiden met de term theodicee: De rechtvaardiging van Gods goedheid en almacht ten aanzien van het kwaad in de wereld.

Om Job en zijn vrienden beter te kunnen begrijpen, moeten wij de achtergrond van de theodicee belichten. Het verhaal van Job mag dan ontstaan zijn rond de 10de eeuw voor Christus, het krijgt pas zijn definitieve vorm in de periode van het Hellenisme en de tijd van de Joodse Verlichting. Het Hellenisme is de benaming voor de fase van de antieke cultuur (deze vindt zijn oorsprong in de 4de eeuw voor Christus), waarin de Griekse beschaving uit de beslotenheid van de Oudgriekse stadstaat treedt en de wereld verovert, vooral als gevolg van het optreden van Alexander de Grote.

Een van de meest invloedrijke filosofen uit deze tijd is Epicurus. Hij richtte een filosofisch/religieuze school op en heeft veel voor het Griekse denken betekend. Als wij Epicurus standpunt ten aanzien van God beter willen begrijpen, dan zullen wij eerst kort zijn natuurfilosofie moeten verkennen. Het gaat hier om een mechanistische en materialistische fysica die hij ontleent aan Democritus. Dat wil zeggen, onze wereld is een van vele andere werelden, alle dingen in onze wereld bestaan uit ondeelbaar kleine stofdeeltjes (atomen), die toevallig samensmelten en uit elkaar kunnen vallen. Alles wat eenmaal ontstaan is draait mee in een blinde noodzakelijkheid. Er is geen plaats voor een absolute en betrouwbare grond. Op basis van deze theorie ontwerpt hij een theologie om de mensen van hun ongegronde angst voor de goden te bevrijden. Je zou bijna denken dat hij ons ervan probeert te overtuigen, op grond van vier logische stellingen, dat God helemaal niet bestaat en het theodicee onhoudbaar is:

  1. Wil God kwaad voorkomen, maar kan Hij dat niet, dan is Hij niet almachtig.
  2. Kan Hij dat wel, maar wil Hij niet, dan is Hij kwaadaardig.
  3. Kan Hij niet en wil Hij niet, waarom noemt men Hem dan God?
  4. Kan Hij wel en wil Hij wel, waar komt dan het kwaad vandaan?

Met enige terughoudendheid sluit hij het bestaan van goden niet uit. Mochten er goden bestaan, dan zullen zij zich niet met ons bemoeien, want zij zijn volmaakt gelukkig, en zij zullen als onveranderlijke wezens geen invloed  op ons vergankelijke wezens kunnen hebben. Epicurus neemt dus het Deïsme als standpunt  ten aanzien van de goden, terwijl de drie vrienden van Job het Theïsme verdedigen (het Deïsme beweert, tegengesteld aan het Theïsme, dat God sinds Hij de schepping heeft voltooid, niet meer ingrijpt in de wereld). Volgens hem is het Theïsme niet te verdedigen en wel om één simpele reden, omdat uit de vier  logische stellingen blijkt, dat een almachtige God het kwaad in de wereld niet zou toestaan.

Voor Epicurus zijn twee zaken  belangrijk als het om goden gaat. Ten eerste het standpunt dat goden bestaan, maar zich niet met onze wereld bemoeien en geen invloed op ons hebben. Op het tweede punt komen we later terug.

Terug naar Job. Zijn situatie is grotendeels te vergelijken met de standpunten van Epicurus. Hij wil zich niet langer verdedigen tegenover God en zijn drie vrienden. Het is tijd om de rollen om te draaien. Hij strijdt voor zijn eigen rechtvaardigheid. Hij vertelt ons: ‘Waarom denken jullie dat ik mijn leven in eigen hand neem en zeg wat ik denk?’

Voorheen zag Job een God die de mens lief had. Hij zorgde voor de mens en beloonde haar voor rechtvaardigheid. Nu klaagt hij God aan. Hij stelt God verantwoordelijk voor de ondoorgrondelijkheid van de wereld die Hij geschapen heeft en de onverklaarbaarheid van het kwaad in de wereld.                                                                                                                           De goede en rechtvaardige kant van God maakt plaats voor een absolute kracht, waarmee vereenzelviging niet mogelijk is, die niet te begrijpen valt. Een wereld, een woestenij, waarin men geen morele God kan waarnemen. Het lijkt wel alsof God niet bestaat.

Dan is het woord aan God. Tweemaal verschijnt Hij, uit puur machtsvertoon, als natuurverschijnsel. Eerst neemt Hij de gedaante aan van een storm. Merkwaardig is de wijze waarop God tot Job spreekt en antwoordt. Hij stelt slechts vragen, waarmee Hij zijn almacht voor zichzelf houdt: ‘Waarop steunen de fundamenten en wie plaatste de hoekstenen [….]?’ Daarna spreekt God nogmaals, deze keer vanuit een wervelwind. Hij vertelt over de nietigheid van de mens, de meedogenloosheid en oerkracht van de krokodil.

Het is op zijn minst opmerkelijk te noemen dat God ervoor kiest als natuurkracht op te treden. Je zou verwachten dat God zou proberen Job van zijn rechtvaardigheid te overtuigen. In plaats daarvan beantwoordt God de aanklacht van Job niet en worden alle betogen van de drie vrienden, die voor het theodicee pleiten, ongegrond verklaard. Het enige dat God bevestigt is: ‘Ik ben niemand iets schuldig; alles onder de hemelen is van Mij’. Hiermee bevestigt Hij het vermoeden van Job.

God confronteert de mens Job met het feit dat hij contingent is. Dit betekent: wat er is kan er evengoed niet zijn; het bestaan van de mens is zonder betekenis. De absolute en betrouwbare grond maakt plaats voor een onoverzichtelijke en afzichtelijke afgrond: ‘de Horror vacui’.

Job zit in een dubbele crisis. Hoe moet hij de paradox in zijn geloof oplossen. Hij volhardt in zijn onschuld. Hij is niet zondig, dat weet hij zeker. Hij kan God niet langer de schuld geven. De rechtvaardige God is verdwenen. Daarvoor in de plaats is een natuurgod gekomen. Je zou verwachten dat hij zijn geloof in God opzegt.

Het tweede standpunt van Epicurus maakt het mogelijk Jobs vroomheid beter te begrijpen. Job probeert door middel van zijn vroomheid  de tegenspraak tussen hem en God op te heffen. Daarbij doet hij evenzeer een beroep op God als op zichzelf.

Wanneer Job zegt: ‘Ik wil mijn zaak met Hem bespreken. Ik heb het voordeel dat ik niet goddeloos ben, anders zou ik niet eens in zijn nabijheid kunnen komen. Ik weet zeker dat Hij mij zal vrijspreken’, dan kunnen wij zijn uitspraak vergelijken met de uitspraak van Epicurus, die het tweede standpunt als volgt verwoordt: ‘Goddeloos is niet degene die het bestaan van de goden van de massa ontkent, maar degene die de goden toedicht wat de massa over de goden denkt’.

God heeft, zoals we al eerder hebben kunnen lezen, afgerekend met de geloofswijsheden van de drie vrienden en de aanklacht van Job niet beantwoord tijdens zijn optreden. Daar hoeft Job zich niet meer tegen te weren. Het gaat om zijn geloof, waarmee hij in het reine moet komen. Voordat God op het toneel verschijnt, deelt hij ons al mede, dat zijn geloof een verandering heeft ondergaan: ‘O God, ik smeek u om twee dingen; alleen dan zal ik in staat zijn u onder ogen te komen. Trek uw hand van mij terug en jaag mij geen angst aan voor uw verschrikkelijk oordeel’.

God heeft er hoogstpersoonlijk voor gezorgd, dat Job wanhoopt, maar nooit twijfelt aan zijn geloof. Hij beseft, dat hij de goedkeuring van God niet nodig heeft om hem te dienen. Daarvoor gebruikt hij zijn vroomheid. Vanaf nu moet hij vertrouwen op zijn eigen rechtvaardiging van het geloof in God en niet onder het juk van Gods rechtvaardigheid leven.

De beproevingen die Job heeft ondergaan en het beeld dat hij van de wereld heeft doen niks af aan zijn besluit in God te blijven geloven. Hij behoudt het geloof in God dankzij zijn vroomheid. Hoe is dat mogelijk? Heeft hij dan niets geleerd? Wat is hier precies aan de hand?

Er is geen duidelijke verklaring voor Job om te geloven. Zijn ervaringen getuigen niet van een God, die met goede bedoelingen en rechtvaardigheid ingrijpt in de wereld. De wereld is volgens zijn ervaringen ondoorgrondelijk en daarom is God dat ook. God is met de rede niet te begrijpen. Hij verwacht geen voorkeursbehandeling als devote dienaar van God. Desondanks zijn Job en God onafscheidelijk. Zij zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als Job het geloof in God opgeeft, dan heeft zijn leven ook geen doel en betekenis meer, net als de wereld. Door zijn hartstocht toont Job dat de mens de mogelijkheid heeft te vertrouwen  in het ongegronde en onbekende. Hij vertrouwt op vertrouwen. Zijn goede inborst symboliseert, dat wat hij als mens nog aan het bestaan kan toevoegen, dat is voor hem de  God waar hij in gelooft. Deze God staat niet boven Job, maar is in hem. Deze God heeft hij niet alleen persoonlijk ontdekt, maar ook uitgevonden.

In tegenstelling tot Jobs vroomheid maakt Leibniz gebruik van de rede om het kwaad in de wereld te begrijpen. Het dualisme tussen geloof en rede is te overbruggen. De rede moet het geloof ondersteunen en tegelijkertijd de kracht van de rede bewijzen. Leibniz waagt een poging de oude metafysica  in overeenstemming te brengen met de natuurwetenschappen en de wiskunde van zijn tijd. De metafysica is op zoek naar de grondslag die achter de wereld schuilgaat, om de totaliteit van de wereld, de essentie van de dingen in de wereld te vatten als datgene wat het geheel heeft gevormd. In de eerste helft van de 18de eeuw staan de natuurwetenschappen en de wiskunde op het punt de tot dan toe gebruikelijke benadering van de teleologie te vervangen door het causaliteitsprincipe. De teleologische natuurverklaring ziet dat er in de wereld doeloorzaken aan het werk zijn. Denk aan een bloembol, die verschillende fasen doorloopt en als eindresultaat in bloei staat. Het lijkt erop, dat een doel of streven aan de ontwikkeling ten grondslag ligt, dat mogelijk ook het plan van een intelligent wezen verraadt. Daartegenover stelt de natuurwetenschap een principe dat de wereld van zin en betekenis berooft en ons opzadelt met een blind mechanische noodzakelijkheid, ofwel een werkoorzaak. Voor Leibniz vormt dit het kwaad in de wereld en hij wil de mens daartegen beschermen. Daarom probeert hij op zijn eigen wijze de gedachten van God te reconstrueren, om te achterhalen, waarom Hij de wereld zo geschapen heeft.

Leibniz definieert God als goedheid. God heeft in vrijheid de wereld geordend en gestructureerd volgens werkoorzaken. God heeft deze wereld gebouwd op doeloorzaken, die Hij goed acht. Hierin moet je niet alleen kunnen geloven, dat  moet je ook kunnen begrijpen. Wij zien hier een duidelijk verschil tussen de existentiële vertwijfeling van Job, die zijn bestaan verdedigt tegen het kwaad van de door God geschapen onrechtvaardige wereld en de poging van Leibniz om het goede van God met de rede te beschermen tegen het kwaad van de  theoretische vertwijfeling, die ontkent dat de geschapen wereld een goede grond heeft.

De onderdelen van het bouwwerk vormen een harmonisch samenspel. Daarmee veronachtzaamt de rede elk individueel bestaan. Het harmonieuze bouwwerk dat de rede voorlegt is onbegrijpelijk, omdat het niet op ieder individueel leven van toepassing is. Alleen wie het grote geheel voor ogen heeft houdt uitzicht op het universum dat Leibniz benoemt tot ‘de beste van alle mogelijke werelden’. Leibniz stelt ons voor aan God. Hij is niet alleen een volmaakt wezen, maar Hij is daarnaast ook programmeur. Uit alle mogelijke programma´s, die een universum konden vormen met elk zijn eigen voor- en nadelen, heeft Hij uiteindelijk de onze verkozen boven alle andere. Als dat zo is, dan moeten wij concluderen dat God voorafgaand aan de schepping niet alleen besloten heeft zoveel mogelijk goed en zo min mogelijk kwaad in de wereld toe te laten; Hij heeft het ook voorzien.

Er zijn een aantal redenen om te begrijpen waarom het kwaad aan de wereld verbonden is. Ten eerste, omdat het kwaad noodzakelijk met het goede in de wereld verbonden is. Denk bijvoorbeeld aan de tegenstelling tussen ziekte en gezondheid. We zouden niet weten dat gezond zijn goed is, als we niet ziek zouden worden. Ten tweede, omdat de wereld in tegenstelling tot God onvolmaakt is. Alles wat God schept is aan vermindering onderhevig. Gebrekkigheid is inherent aan de wereld. Ten derde, God wilde de mens het geschenk van de vrijheid geven, dat jammer genoeg één nadeel heeft namelijk dat het voor kwade doeleinden aangewend kan worden.

Het theodicee van Leibniz maakte furore, totdat op 1 November 1755, nota bene op Allerheiligen, een grote aardbeving Lissabon verwoestte en aan duizenden mensen het leven kostte. Toen werd weer eens pijnlijk duidelijk, dat achter de natuur niet het goede schuilgaat.

Zelfs Immanuel Kant bemoeide zich met het theodicee, maar om een heel andere reden dan Leibniz, die met behulp van de rede de schepping begrijpelijk probeerde te maken. Kant had namelijk al  in De kritiek van de zuivere rede afgerekend met de mogelijkheid om kennis te vergaren, die voorbij de zintuiglijke waarneming ligt.

De rede, dat wil zeggen het vermogen tot denken, maakt gebruik van het verstand en zintuiglijke ervaringen (bestaande uit waarneming en aanschouwing). Het verstand bestaat uit categorieën en de zintuiglijke waarneming wordt vormgegeven door de zuivere aanschouwing. Deze zijn a priori gegeven. Dit betekent voor de zuivere aanschouwingsvormen, dat zij aan de zintuiglijkheid voorafgaan. Voor het verstand geldt hetzelfde. De categorieën zijn niet door zintuiglijkheid in het verstand terecht gekomen, maar door de wijze waarop het verstand gegevens verwerkt en bewerkt. Hierbij moet je denken aan tijd en ruimte als vormen van aanschouwing en causaliteit als één van de twaalf categorieën van het verstand. De zintuiglijke waarnemingen worden door de zuivere aanschouwing gevormd en door het verstand verwerkt en bewerkt tot kennis. Dat is de werkwijze van de rede. De verworven kennis is alleen toepasbaar in onze wereld en niet achter of voorbij onze wereld, zoals Leibniz meent de gedachten van God te kunnen achterhalen.

De reden waarom Kant zich bemoeit met de theodicee van Leibniz is omdat deze enerzijds  een vrijbrief is voor het morele kwaad in de wereld en anderzijds een bedreiging vormt voor de morele vrijheid van de mens. God kan er immers niks aan doen dat er kwaad is in de wereld en de mens kan niks tegen zijn eigen kwade handelen beginnen, omdat de mens aan de ene kant nu eenmaal zo met zijn beperking door God is geschapen en aan de andere kant God een schepping voortbracht, die noodzakelijkerwijs onvolmaakt is.

Kant stelt, dat we met de rede het bestaan van God en daarmee ook het geloof in God niet kunnen bewijzen. Hij haalt ze uit elkaar. Leibniz probeert juist het geloof en de rede met elkaar in overeenstemming te brengen. Maar de rede maakt eigenlijk alleen maar duidelijk, dat zijn poging om God te rechtvaardigen ongegrond is. De kennis en inzichten van de rede, die wij opdoen in de wereld door middel van de natuurwetenschappen, geven een tegengesteld beeld. De wereld is een afgrond. Zij is verklaarbaar door blinde mechanische wetten. Zij biedt de mens geen zinvol bestaan. De mens is niet meer dan een toevalligheid.

Rede en geloof hebben, volgens Kant,  niets met elkaar te maken. De een sluit de ander uit. Desalniettemin heeft Kant sympathie voor de poging van Leibniz ons te bevrijden van de blinde noodzakelijkheid van de natuur.  Met Kant begint de moderne tijd, waarin wij definitief afscheid nemen van God. De moderne mens, in het bijzonder Friedrich Nietzsche, heeft God doodverklaard. Het verlangen naar God is daar, paradoxaal genoeg, niet door verminderd.

Als je er  over nadenkt is de contingentie van de mens nog wel te verdragen. Het wordt pas lastig als je contingentie in het dagelijks leven een plaats moet geven. Het verlangen, bedoeld te zijn, geldt voor iedereen; of je in God gelooft, of door gebruik te maken van de  rede je bestaan naar je hand zet.

Het scheppingsverhaal in de Bijbel beantwoordt al aan het verlangen bedoeld te zijn, dat voortkomt uit de contingentie van de mens en de ondoorgrondelijkheid van de wereld. Religie is ontstaan om de angsten van het bestaan te kanaliseren. Zij belooft een goede afloop, maar eveneens een goed begin. God heeft hemel en aarde met liefde uit het niets geschapen. In de schepping wordt de ondoorgrondelijkheid van de wereld toegedekt door de liefde van God. Het ontstaan van de wereld draagt de contingentie van de mens al in zich. Contingentie, dat wat er is had er evengoed niet kunnen zijn. Zoals men in de wetenschap geen wetten kan vinden voor het ontstaan van de wereld (de oerknal), zo treft men in de bijbel geen aanleiding voor het scheppen van de wereld, aangezien God door niets of niemand gedwongen werd.

Religie bewaart ontzag voor de ondoorgrondelijke wereld en het onverklaarbare. Zij bewaart het geheim van de wereld, waarvan de mens zich als onderdeel ziet. Het nadeel daarvan is, dat de mens wat zichzelf betreft onzichtbaar blijft. Religie vertrouwt de last van het bestaan toe aan God. Hij draagt de last in plaats van de mens. Zodoende hoeft de ene mens de andere niks te verwijten en kan men leven met zijn tekortkomingen. Men kan zich richten tot God, want hij weet waarom je op aarde bent en waarom je bent zoals je bent. Het ontzag voor God zorgt ervoor, dat de mens niet boven de wereld en de medemens staat als eindig, nietig en laakbaar wezen .  Op deze manier wordt de mens bijgebracht, dat integreren hier op aarde niet de belangrijkste zaak is, omdat de uiteindelijke eindbestemming ergens anders plaats zal vinden en de mens daarom zijn hoop niet op de aarde hoeft te vestigen.

De veilige thuishaven van de moderne mens ligt niet meer bij God. Hij heeft Hem ingeruild voor de rede, die haar heil heeft gezocht bij de natuurwetenschappen en de techniek. In tegenstelling tot de religie moet de rede oplossingen vinden voor zijn contingentie. De mens moet zelf iets van zijn leven zien te maken. Dit doet hij door het heft in eigen hand te nemen en niet buiten de wereld te zoeken naar verklaringen voor zijn bestaan.

Het is de vraag of de moderne mens in het technisch-wetenschappelijke wereldbeeld daar nog wel de kans voor krijgt. Natuurlijk heeft de moderne mens zich dankzij dit wereldbeeld losgemaakt van de natuur. De moderne mens heerst zelfs grotendeels over de natuur. De natuur is maakbaar geworden.                                                                                                 De voortdurende activiteit van vooruitgang geeft de mens vertrouwen in de wereld. De scheppende aard van de mens doet geloven het zinloze en goddeloze bestaan te kunnen overwinnen. Toch kunnen de hedendaagse natuurwetenschappen en geavanceerde techniek ons niet beschermen tegen de natuur. De macht van de natuur is en blijft genadeloos, vijandig en angstaanjagend. Bovendien begint het er steeds meer op te lijken, dat de techniek en de wetenschap zich van ons losmaken. Zijn zij ons niet boven het hoofd gegroeid?

Eerst had God de mens naar zijn evenbeeld geschapen. Naderhand bepaalde de mens zelf god te zijn en verklaarde God dood. In de moderne tijd bevrijden wij ons van de natuur middels de wetenschappelijke en technische processen. Vervolgens bepalen deze processen ons leven op alle mogelijke manieren en terreinen. Zo zijn wij een onderdeel geworden van de systemen en structuren van de processen. Wij hebben ze in gang gezet, maar zijn ze niet meer de baas. We kunnen de vooruitgang nauwelijks bijbenen. Het is tegenwoordig bijna onmogelijk op de hoogte te blijven van één enkel vakgebied door de grote aantallen specialisaties en de enorme hoeveelheden informatie die er dagelijks bijkomen.

Dit alles bij elkaar maakt het mogelijk de moderne mens en de gelovige mens van vroeger met elkaar te vergelijken. Voor beiden is het super complexe absoluut. De een moet afwachten wat God met zijn leven heeft voorbestemd, de ander moet de uiteindelijke bestemming van ‘de god van de wetenschap en techniek’ afwachten.

Hoe dan ook, ze zullen allebei moeten handelen alsof ze hun leven zelf in de hand hebben. Alsof God de schepper of de eigen schepping van de mens (middels wetenschap en techniek) het goed met ons voorheeft. Zonder vertrouwen redden ze het niet. Dat het goed komt daarop moeten ze kunnen vertrouwen. Vertrouwen op vertrouwen.

 

Bij de totstandkoming van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de volgende literatuur:

Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid, Ambo, 2007

– Het Boek: een eigentijdse verwoording van de bijbel volgens het principe van International Bible society, Stichting international Bible society Holland, 1987

Laurens ten Kate e.a (red.), Encyclopedie van de filosofie, Boom, 2007

Rüdiger Safranski, Das Böse oder das Drama der Freiheit, Hanser, 1997 (Nederlandse vertaling Het kwaad, Olympus).

 

 Leave a Reply

(vereist)

(vereist)