Sep 022011
 

Bedelaars zijn er in soorten en maten. Om te beginnen zijn er de brutale, agressieve types. Doelgericht komen ze op u af, geen ontwijken aan. Ze stellen zich pal voor uw neus op en vragen om een concreet bedrag. Genoeg om zich zeker te stellen van een plaats voor de nacht, een bakje koffie of als deel van een omvangrijke inzamelactie ter bekostiging van het dure dagelijkse shotje. Hoe prangender de nood, hoe agressiever de benadering. U schrikt zich een ongeluk en wilt zich zo snel mogelijk uit de voeten maken. Erg veel zin om hier en nu uw portemonnee te trekken  heeft u niet want u bent bang dat deze u in z’n geheel afhanden zal komen. U voelt in uw zakken en tot uw opluchting diept u daar een paar muntstukken uit op. U legt ze snel in de groezelige, uitgestoken hand en loopt door.

Ten tweede noem ik de ongeloofwaardige doch vastberaden bedelaars. Dit type is niet wars van een beetje toneel. Ze trekken de aandacht met hun meegebrachte kroost en ostentatief gedragen bedelaarsvodden. Vrolijk, bont en kleurrijk, dat moet gezegd. Hun presentatie verraadt dat ze de centen niet per se en onmiddellijk nodig hebben. Ze opereren vaak in groepen zodat de peuters het vak goed af kunnen kijken. Hoe meer drama ze tentoonspreiden, hoe meer u vermoedt dat ze ergens een hele dikke buidel met geld verstopt hebben, of een Mercedes om de hoek. Let op uw eerste reactie wanneer een dergelijk persoon om uw geld vraagt. Een gedachte als: “Ga toch werken”, dringt zich in deze situatie gemakkelijk op. Toch vergt het te veel van u eraan voorbij te gaan zonder de reeds vet vermoede kas te spekken met uw zuurverdiende geld.

Vervolgens verdienen de meelijwekkenden een vermelding. Zij zijn te herkennen aan een of meer lichamelijke gebreken. Ze zitten passief in een hoek of voor een winkel, maken geen contact, maar wekken met hun stille aanwezigheid uw medelijden. Het is onmogelijk zonder enig gevoel van mededogen aan hen voorbij te gaan. Wanneer u geen muntje werpt, voelt u zich hopeloos schuldig. Ook na het muntje blijven zij stil en passief. Soms danken ze met een nauwelijks waarneembare neiging van het hoofd. Dit beeld blijft op uw netvlies staan. U draagt het een tijd met u mee.

Tenslotte is er een groep die ik zou willen omschrijven met ‘zij die het net niet gered hebben’. Zij die het net niet gered hebben, kijken u meestal aan terwijl ze u om uw gunst vragen. Verder herkent u ze aan de gedachte die zich vrijwel direct manifesteert als u zo iemand ontmoet: “Wat is er met deze mens gebeurd?”. Er is een soort verwantschap want zover staat hij niet van u vandaan. U voelt compassie. Met hem? Met uzelf? Hetzelfde lot zou ook u kunnen treffen, misschien is er niet eens zo veel voor nodig. Een ongeluk komt immers nooit alleen. Geen huis meer, geen geld, geen baan. Door een domme samenloop van omstandigheden, en ook wel door uw eigen stomme schuld is het mis gegaan. Uw nieuwsgierigheid naar zijn levensloop is gewekt. Zou u het aandurven hem uit te nodigen voor een kop koffie? Of een gesprek met hem aan te knopen? Of toch maar liever niet, u mocht eens niet meer van hem af komen.

Zou er zo iemand als ‘de ideale bedelaar’ bestaan? Ja, u natuurlijk! U zou proberen uw waardigheid, uw menselijkheid te behouden. U zou ervoor zorgen dat u er in de gegeven situatie zo verzorgd mogelijk uitziet, en in geen geval deerniswekkend of afstotelijk. U zou nooit op het schuldgevoel van de mensen inspelen, of ze lastigvallen. Nee, u niet. U zou de mensen rustig en vriendelijk tegemoet treden wanneer u hen om een aalmoes vraagt. Wanneer men u die gunt zou u glimlachend uw dank betuigen. Indien de haastige passant geen tijd heeft, even goede vrienden. Waarschijnlijk zou u proberen zelf iets in de aanbieding te hebben. Een vriendelijk woord of als u begiftigd bent met enig muzikaal talent zou u een simpel, maar charmant stukje muziek ten beste geven. U bedelt met verve. Men lacht u toe, geeft en loopt zonder een spoor van irritatie verder. Jawel, u zou waarachtig de ideale bedelaar zijn!

Afhankelijkheid, dat is waar ik naartoe wil. Dat een bedelaar van jouw gift afhankelijk is, mag zonneklaar zijn. Voor de brutalen zal dat shotje er komen, goedschiks (met jouw hulp) of kwaadschiks. Van de bedelaars die doen vermoeden reeds stapels geld te bezitten ben jij de werkgever. Zij menen in vrijheid te leven en hebben van bedelen hun professie gemaakt. De meelijwekkenden kwijnen nog rapper weg zonder jouw gift. En zij die het net niet gered hebben? Zij balanceren op het randje van afhankelijkheid. Misschien zullen ze weer in staat zijn een bestaan op te bouwen, een huis, een baan en geld te hebben. Misschien niet. Misschien kun je hen net dat duwtje geven, door je belangstelling te tonen.

Hoe zit het eigenlijk met het gevoel van afhankelijkheid bij jou, als gever? De bedelaar doet in meer of mindere mate een appel op jouw geweten. Hij confronteert je met je welvarendheid en met je gevoelens van schaamte en schuld daarover jegens hem. Je durft de mens tegenover je wellicht niet in de ogen te zien uit angst tot de orde geroepen te worden door de stem van je geweten. De bedelaar, in zijn miserabele omstandigheden, drukt je met de neus op het feit dat jij een slaaf bent van je schuldgevoel. Door te geven kun je dat gevoel inlossen. Door het na te laten, zul je het moeten wegpraten, of wegstrepen door later op de dag een andere bedelaar wel een kleinigheidje toe te stoppen. In elk geval zul je er iets mee moeten. In het contact met de bedelaar wordt je wellicht plotseling een wederzijdse afhankelijkheid gewaar, daar waar je voorheen je schuldgevoel simpelweg eenzijdig afdeed met ergernis of minachting.

Zo verging het mij onlangs, in de Berlijnse U-Bahn. Een grove, jonge vrouw met kroezend haar en een bleek gezicht kwam de metro in. Met een te harde, monotone stem en veel aplomb deed ze haar verhaal. Omdat ze zich zo agressief presenteerde, merkte ik dat ik wegkeek. Ik wilde dat ze nooit ingestapt was en me met rust liet. Ik liet haar weer uitstappen zonder iets te geven. Dat knaagde. Per slot van rekening is ze een arme sloeber die op deze manier haar geld bij elkaar probeert te schrapen. Een andere mogelijkheid heeft ze misschien niet. Daarmee heeft ze me in haar macht. Zij mag dan afhankelijk van mij zijn, ik ben het ook van haar.
Deze vrouw had haar voeten nog niet gelicht of een magere man van middelbare leeftijd stapte de wagon binnen. Op een bescheiden toon vertelde hij de reizigers waarom hij daar was en of de mensen zo vriendelijk wilden zijn hem ‘eine kleine Spende’ te geven. Ik gaf hem een muntstuk, hij keek me kort aan met zijn lichtgrijze ogen en bedankte. Ik kon eenvoudig niet niets geven. Of het kwam door zijn lawaaiige voorgangster of door zijn eigen ingetogen houding. Ik weet het niet. Maar mijn schuldgevoel was weg.

 

  One Response to “Afhankelijkheid / De Bedelaar”

  1. Als bedelaars mijn om een beetje geld vragen, dan bekruipt mij het gevoel: ‘geef maar, want je kunt het missen. Die paar euro of dat verse brood dat je net hebt gekocht, wat scheelt het?’. Voor mij niets, voor hun is het heel wat. Ik loop gewoon terug naar de bakker en bestel een nieuw half volkoren.

    Ik heb geen moeite om de tweede categorie bedelaars af te wimpelen. Hoe schattig de peuters ook kijken, die met de bedelende oma zijn meegekomen om het vak te leren. Ofschoon ik genoeg heb, ken ik de waarde van geld. Ik weet hoe hard je ervoor moet werken. Dus die groep wimpel ik af en wis ik uit mijn geheugen als ik ze weer voorbij ben gelopen.

    Als ik andere types tref, dan komt het schuldgevoel boven. Toch weiger ik in negen van de tien gevallen de beurs te trekken. Ik rechtvaardig mijn nee altijd met de gedachte dat ze terecht kunnen in de (Utrechtse) nachtopvang. En desondanks vind ik mijzelf dan vrekkig en egoistisch. Het geweten knaagt.

    Daarom kom ik ze liever niet tegen. Dan hoef ik de keuze tussen geven en gewoon voorbijlopen niet te maken. Maak nooit oogcontact met de bedelaar. Kijk weg. In het openbaar vervoer lees ik fluks door in het boek dat ik eigenlijk net wilde sluiten, voordat ik de bedelaar in de coupe ontdekte. Ik neem de tekst onder mijn ogen niet op. Ik luister naar wat hij zegt. Ik maakt geen contact. Ik voel mij lullig, omdat ik niet geef. Ik kan er niet tegen. Ik stap twee stations te vroeg uit, om de confrontatie uit de weg te gaan. Terwijl ik op de volgende trein wacht om verder te reizen, confronteert de toevallige ontmoeting me desondanks vooral met mijzelf. Op het station waar ik helemaal niet wilde zijn, krijg ik de bedelaar niet uit mijn hoofd. Hij beheerst mijn gedachte voor vijf minuutjes. Ik voel mij hard en harteloos.

    Soms is er geen ontkomen aan en tref ik de bedelaar toch. Een kort gesprekje volgt. Ik luister, ik weet wat hij wil en ik wil dat alles weer snel voorbij is.

    In plaats van dat ik geld geef, probeer ik ze tegenwoordig eten te geven. Heel vaak weigeren ze dat. In dat geval vermindert het schuldgevoel. Ik bied jou iets aan, jij haalt je neus ervoor op, dan ligt het probleem niet meer bij mij. Ik heb mijn best gedaan, mijn geweten is gesust.

 Leave a Reply

(vereist)

(vereist)