Feb 082010
 

Als klein meisje, in de jaren vijftig, had ik een oma in Berlijn. Berlijn was Duitsland, daar woonden Duitsers en dat waren moffen. Alle Duitsers waren in de tijd vlak na de oorlog fout, dus ook mijn moeder. De kinderen uit de buurt riepen dan: “je moeder is een mof!” Ik snapte dat niet zo goed en schold dus maar terug: “jouw moeder is een kaaskop!”

Toen ik zeven was ging ik voor het eerst logeren bij mijn oma in Berlijn; het is dan 1953. Met een Boeing DC3, die landde in Berlin Tempelhof. En dan nog een heel eind met de auto naar Wannsee, waar oma woonde. Een groot huis, de gaten van de granaatscherven nog in de buitenmuren, met een grote tuin rondom, aan de rand van het bos. Ik zag oma toen voor het eerst, een strenge, harde en ontoegankelijke vrouw. Ze was de weduwe van de vroegere gemeentesecretaris van Breslau. In de jaren 30, na de dood van haar man, verhuisde ze met haar twee kinderen naar Berlijn. Ze kon niet huishouden, noemde zichzelf een ‘höhere Tochter” en was altijd aan het lezen. Ik ging haar liever uit de weg.

Ruim vijftig jaar later, in de nazomer van 2009 en inmiddels zelf oma, ben ik opnieuw in Berlijn. Tijdens een van mijn vele zwerftochten op de fiets kom ik bij de Anhalter Bahnhof, ooit het grootste station van Europa, nu een open vlakte met alleen nog een facade van de ingang. Naast de facade staat een gedenkplaat, die duidelijk maakt dat hier Berlijnse Joden, steeds met 100 tegelijk, naar Theresienstadt werden vervoerd. De data staan erbij met daarachter steeds het getal ‘100’. Zal mijn joodse oma hier ook bij gestaan hebben? Als ik een foto maak, lopen er 2 jonge mensen voorbij; gekscherend luid lachend en pratend dat hier toch geen treinen meer rijden, dat ze geen station zien.

Later ontdek ik midden op de Hermann-Ehlers-Platz in de wijk Steglitz een grote spiegelwand, waarvan ik het bestaan niet kende. Op de spiegelwand (10 m lang, 3,85 m hoog) staan 1700 namen van afgevoerde joodse inwoners van Berlijn; velen zijn nooit meer teruggekomen. Het monument staat er sinds 1995, na langdurige en heftige discussies. Met name de marktkooplui waren tegen het plaatsen van de wand, want op het pleintje wordt 3x per week een markt gehouden. Ooit was dit een levendig centrum van Joodse cultuur, dichtbij de Wolfenstein-Synagoge aan de Düppelstrasse 41. Als je de namen, geboortedata, transportlijsten en adressen van joodse inwoners van de wijk Steglitz op beide zijden van de wand leest, zie je jezelf steeds terug in de spiegelwand. Nu is ook vroeger. Elke bloem, marktkraam, voorbijganger wordt deel van het gedenkteken

Tot mijn verbijstering zie ik er de naam van mijn oma staan, precies onder de woorden ‘Seite 15’. Natuurlijk wist ik wel, dat zij in Theresienstadt heeft gezeten, maar om daar zo op een marktpleintje in Berlin-Steglitz haar naam te zien. …. Ze is op 8 januari 1944 opgehaald door de SS en op 10 januari 1944 afgevoerd naar Theresienstadt, niet vanaf de Anhalter Bahnhof, maar vanaf Bahnhof Grunewald (gleis 17). Haar huwelijk met een ‘Ariër’ heeft er wellicht voor gezorgd dat ze pas zo laat is opgehaald. Mijn moeder, die dan net 23 jaar is, krijgt een paar weken later een brief van de “Kartenstelle 3” uit Zehlendorf met o.a. de volgende tekst: “Der jüdische Teil ihres Haushaltes ist evakuiert worden.” Oma overleeft en keert in juli 1945 terug uit Theresienstadt, waar ze al die tijd belast is geweest met de bewaking en verdeling van de suiker onder haar medegevangenen. Wonderlijk eigenlijk dat men nooit de nabestaanden heeft geïnformeerd over het bestaan van deze spiegelwand.

Mijn ouders hebben elkaar gedurende de Tweede Wereldoorlog in Berlijn leren kennen. Mijn vader is er vanwege de Arbeitseinsatz (het vaak gedwongen inzetten van arbeiders uit de bezette gebieden in de Duitse oorlogseconomie tijdens de Tweede Wereldoorlog) tewerk gesteld bij Siemens en woont in het huis van mijn oma, in Wannsee. Begin januari 1944 schrijft hij in zijn aantekenboekje dat het flink sneeuwt en dat ze een sneeuwballengevecht hebben gehouden. ’s Nachts gaat het luchtalarm regelmatig af, vaak wordt er geschoten. Van zijn moeder uit Nederland ontvangt hij voortdurend pakketjes met eten en sigaretten. Maar hij koopt ook grammofoonplaten, maakt foto’s, gaat naar de bioscoop, uit eten en een lekkere borrel drinken. De S- Bahn rijdt zeer onregelmatig, waardoor hij voortdurend te laat op zijn werk komt.

En dan, op 8 januari, ontstaat er grote opschudding wanneer hij ’s middags thuis komt en hoort dat oma is opgehaald om naar Theresienstadt gedeporteerd te worden. Mijn moeder krijgt nog de gelegenheid om haar die dag en de dag erna ergens in Berlijn te bezoeken en haar spullen te brengen. Op 10 januari om 14.00 uur wordt oma naar Theresienstadt weggevoerd. De dagen erna is men druk in de weer om een deel van het huis geschikt te maken voor verhuur aan een verplichte logé. Een koffer met porselein wordt in de tuin van vrienden begraven. Op 27 januari vieren ze de verjaardag van mijn vader vanwege het alarm in de kelder, met koek, borrel en koolsoep. Er zijn vele bommen in de directe nabijheid gevallen.

Tot mijn 15e gingen we nagenoeg ieder jaar naar oma in Berlijn. Vaak reden we met de S-Bahn (dezelfde die mijn vader in de oorlog iedere dag voor zijn werk nam) van Wannsee naar het centrum van Berlijn. Overal zag je ruïnes, kapotgeschoten gebouwen, bergen met keien, afgebrokkelde muren met kapotte ramen. Op de Kurfürstendamm zaten mannen zonder benen of stompjes van armen te bedelen vlakbij de kapotgebombardeerde Gedächtniskirche, dan nog zonder de nieuwe kerk ernaast. In 1956 werd het Kaufhaus des Westens (Kadewe) heropend, met roltrappen. Er ontstond kleurrijke nieuwbouw van verschillende architekten en een indrukwekkend gebouw met een golfdak (Kongresshalle im Tiergarten). Bij de Brandenburger Tor en het Russische Denkmal stond een bord: Sie verlassen nach 40 m West Berlin. Soortgelijke borden stonden in het water van de Wannsee, bij de Glienicker Brücke richting Potsdam. De muur werd pas later, begin jaren 60 gebouwd.

Op 27 januari 1945, de verjaardag van mijn vader, staat in zijn aantekenboekje niets over de bevrijding van het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau door de Russen; hij wist het niet. Hij schrijft op die dag alleen dat de kolen op zijn en er daarom niet gewerkt wordt. Op 29 januari wordt bekend dat de Russen zich op 150 km van Berlijn bevinden, hetgeen tot aan paniek grenzende onrust onder de bevolking leidt. Mensen trachten met de trein te vluchten en bestormen winkels. Op 3 februari meldt mijn vader dat een zware aanval grote delen van het centrum heeft verwoest. Het verkeer is een grote chaos en er wordt gesproken van 30.000 doden.

In de maanden februari, maart en april 1945 vinden bijna dagelijks luchtaanvallen plaats. Half april wordt duidelijk dat de Amerikanen de Elbe overgestoken zijn. Iedereen heeft zijn witte vlaggen reeds klaarliggen. Dan valt de stroom uit, enkele dagen later het gas en weer een dag later ook het water.

Op 21 april breekt algemene paniek uit, omdat de Russen al in verschillende stadsdelen van Berlijn staan. Levensmiddelenzaken worden bestormd. Overal in de stad wordt geschoten, het alarm functioneert niet meer. Mijn ouders leven nu continu in de kelder. Op 26 april zijn de Russen dichtbij Wannsee. Het huis en de tuin worden getroffen, het halve dak is weg en er vallen drie doden. Het schieten houdt nu niet meer op, mijn vader moet lopend, kruipend en liggend naar buiten om inkopen te doen en hij verbaast zich erover dat hij deze hel nog steeds overleeft. Het huis is volkomen onbewoonbaar. Op 30 april staan de Russen een kilometer van hun huis, dat vol zit met Duitse soldaten die geen wapens meer hebben.

Op 1 mei ’s nachts om 2 uur wordt bekend dat Hitler dood is. De Duitse troepen trekken zich terug en vervolgens wordt het stil. Iedereen loopt rond met witte banden om de arm. Dan komen de Russen, die alles plunderen. Mijn ouders vluchten het bos in en durven de volgende ochtend pas weer terug naar huis te gaan, waar alles kapotgeslagen is. Op 8 mei om 16.01 is de oorlog ten einde. Er wordt niet meer geschoten, het huis wordt opgeruimd en schoongemaakt. Nieuwe meubels vindt men bij andere vernielde huizen. Die worden vervolgens ook weer door de Russen geplunderd. Dit proces herhaalt zich meerdere keren. Het aantekenboekje eindigt met de mededeling op 30 juni dat de Russen de volgende dag naar verluid zouden wegtrekken uit Wannsee en de Amerikanen zouden komen. Hopelijk…….

Het is prachtig nazomerweer en ik neem mijn fiets mee in de S-Bahn naar de Wannsee van 2009. Zo vertrouwd om daar op dat stationnetje aan te komen. Eerst maar eens langs het oude adres: het huis van mijn oma op de Lindenstrasse, hoek Braschzeile. Het oorspronkelijke huis staat er niet meer, dat wist ik al, maar de grote beuk is beslist dezelfde beuk waar ik als kind onder speelde.

Ik fiets door de bossen langs het water en geniet van het licht door de bomen en het uitzicht. Links het bos, rechts het water. Ik kom bij ‘ons oude strandje’, maar herken ’t niet. ’t is een weitje, geen strand. ’t was toch een strandje? Ik zet mijn fiets weg en blijf een tijdje, lekker in de zon. ’t Is er heel stil, alleen ’t kabbelende water, ’t geklots van de boten, geen verkeer.

Verderop ligt aan het water de villa van de Wannsee-Konferenz. In alle ruimtes op de begane grond biedt een vaste tentoonstelling een overzicht van de conferentie en ‘volkerenmoord op de Europese joden’. Indrukwekkend om die papieren uitgestald te zien liggen, met de handtekeningen van de aanwezige ‘heren’ er onder. Ik hoor later hoe een gids vertelt, dat de aanwezigen ‘even’ deze vergadering moesten bijwonen omdat er iets ‘belangrijks’ op de agenda stond.

Op 18 mei 1945 zijn mijn ouders getrouwd in de Zweedse Ambassade van Berlijn. Officieel mocht mijn moeder niet trouwen met een Ariër, omdat de Neurenberger Wetten nog golden: joden mogen niet omgaan met niet-joden, laat staan trouwen – daarom moesten ze uitwijken naar een buitenlandse ambassade. In augustus of september 1945 vertrekken ze, inmiddels zwanger van mij, naar Nederland. Mijn moeder wil weg uit Duitsland; ze wil niet meer als tweederangs mens gezien en behandeld worden. De tragiek van deze reis naar het westen en het ‘bevrijde’ Nederland is, dat ze de grens niet over mogen, mijn vader moet die ‘Duitse hoer’ gewoon laten waar ze hoort….. Ze blijven de hele herfst en winter net over de grens bij Venlo. Pas eind maart 1946 mogen ze, door toedoen van mijn Nederlandse oma, de grens over. En zo zal ik in het Canisius Ziekenhuis in Nijmegen geboren worden. En ook daar is mijn moeder weer een tweederangs burger, een Duitse, een mof.

Op de Friedenauer Künstlerfriedhof ontdek ik het graf van Marlene Dietrich. Zij werd in 1939 Amerikaans staatsburger en weigerde in te gaan op het aanbod van de nazi’s om weer in Duitsland films te maken. Ze hadden daar veel geld voor over, maar zij bleef weg uit haar vaderland en trad zelfs op voor Amerikaanse militairen in onder meer Italië en Frankrijk. In de jaren zestig maakte ze weer een tournee door West Duitsland en naast bewondering werd ze ook uitgescholden voor landverrader. Voor velen bleek de wond nog te vers. Dat weerhield haar er niet van om zich in 1992 dicht bij de plek waar zij haar jeugd doorbracht te laten begraven. Op haar grafsteen: “Hier steh ich an den Marken meiner Tage”.

Later bezoek ik het Holocaust-Mahnmal, een monument ter nagedachtenis aan de moord op zes miljoen joden. Ik vind het een wonderlijk monument. Opvallend hoe respectvol en ‘gewoon’ de mensen er mee ‘omgaan’. Er zit iemand een krantje te lezen op één van de stenen, mensen lopen tussen de stenen door, sommigen kris kras, anderen zoekend, sommigen doen verstoppertje, of krijgertje. Zo te zien wordt dat allemaal toegestaan. Men leeft met de herdenking van zijn verleden, kan er zelfs in spelen. Ik voel me Duits, ik voel me Joods. Ik voel me thuis.

 Leave a Reply

(vereist)

(vereist)