Jan 302011
 

Negentien jaar geleden verbleef ik zeven maanden in de Egyptische hoofdstad Caïro, een krioelende miljoenenstad. Ik woonde er op diverse plekken. In de drukke winkelstraat Talat harb, vlakbij Midan at-Tahrir waar het nu wemelt van de oproerkraaiers. In een met glanzende krulmeubels ingericht appartement in de volkswijk Imbaba. In een sober appartement op Zamalek, het voornamelijk door Westerlingen bevolkte eiland in de Nijl. En tenslotte in een oude verkrotte woonboot op de Nijl waar nog enigszins frisse lucht was. Ik had behoefte aan frisse lucht.

Ik was een jonge vrouw van 22 jaar, onmiskenbaar Westers. Al had ik het gewild, ik had het niet kunnen verbergen, het zal mijn oogopslag wel geweest zijn. Ik keek er ook werkelijk mijn ogen uit. Wat een wereld! Altijd lawaai, altijd leven. En oneindig veel mensen. Overal.

Ik had een doel. Ik leerde er Modern Standaard Arabisch en het Egyptische dialect, van meneer Hashim. ‘Hashim mish kwayyis’ zei hij altijd voor de grap; ‘Hashim deugt niet’. Zou dat typische humor van de Egyptenaar zijn geweest? Of alleen van meneer Hashim? Hij was natuurlijk beregoed, anders had hij nooit dat baantje aan het Nederlands-Vlaamse Instituut kunnen krijgen, lucky Hashim. Langs welke ondoorgrondelijke wegen van het Egyptische wasta-systeem, waarin iedereen een potentiële weldoener is, had hij dat weten te bemachtigen? De Egyptenaar is ook altijd vriendelijk. Wie weet kan Ahmed of Yusuf hem wel een keer een betrekking hier of daar bezorgen. Als je hem een keer hebt afgesnauwd zal Ahmed of Yusuf daar niet meer zo toe genegen zijn. Zo zit het in elkaar.

Op mijn dagelijkse gang naar het instituut kwam ik veel Egyptenaren tegen. Ook al zorgde ik ervoor dat ik decent gekleed ging, geen blote ledematen toonde of strakke kleding droeg, de Egyptische man wist mij wel te vinden. Degene die mij tegemoet kwam krabde zich eens uitgebreid in het kruis, onderwijl kusgeluidjes makend. Degene die mij achterop kwam zou mij nooit gaan inhalen, nee, zo had hij de kans op aangename wijze drie kwartier van zijn dag door te komen.

Onderweg met de minibus ging het al net zo. Altijd begon het wel ergens te kriebelen. Na enig speurwerk van mijn kant bleek dat de jongeman naast mij op onopvallende wijze de onderkant van mijn been aan het beroeren was. En een andere keer was de man naast mijn buurman de boosdoener. Losjes gearmd zaten zij naast mij, dat is een heel normaal straatbeeld, waarbij buurmans buurman mijn schouder streelde.

Er waren er ook die iets minder lichamelijk ingesteld waren, die meer in waren voor een praatje. Een buitenkansje, zo’n alleen reizende Westerse studente.  En natuurlijk niet alleen om je Engels eens wat op te vijzelen, wie weet…. ‘Don’t let me do all the talking’ was het dan, als ik het gesprek voor gezien hield omdat het nergens toe leidde.

Dat waren de mannen, zij lieten tenminste nog een eenduidig beeld zien. Maar dan de vrouwen. Wat een diversiteit! Van ongesluierd en supersexy (minirok, stilettohak) via alle gradaties van gesluierd zijn naar volledig gezichtsbedekkend. Dwars daardoorheen toonde zich een tweede continuüm, van slonzige armoe naar op en top vrouwelijke elegantie. Om het nog verwarrender te maken was daar nog een derde aspekt, dat zich van de mate van sluiering of elegantie niets aantrok: hun houding ten opzichte van de Westerse vrouw (of alleen ten opzichte van mij?) die kon variëren van nieuwsgierig hulpvaardig tot ronduit agressief.

Een keer was ik te voet onderweg. Ik droeg die dag een lange, wijde jurk met driekwart mouwen. Ik passeerde een groepje leeftijdgenoten. Enkelen droegen een klein, naar achteren geknoopt hoofddoekje, anderen een sluier tot over de schouders, maar met het gezicht vrij. Zij smiespelden en begonnen mij aan te staren. Toen ik naderbij kwam riep er één: ‘da galabiya walla fustan’. Toen ik voorbij was lachten ze me uit. Het klonk vals. Of ik een mannengewaad droeg of een jurk hadden ze zich hardop afgevraagd. Weer niet goed.

Een andere keer hing ik in het middenpad van een drukke stadsbus aan een lus. De lus naast die van mij bood houvast aan een slanke, groen gehandschoende dameshand. Nieuwsgierig keek ik vanuit mijn ooghoek verder. De dame in kwestie ging van top tot teen, en dan bedoel ik ook van top tot teen, in prachtige groenschakeringen gekleed. Ze sprak me aan. Haar stem klonk vriendelijk, geïnteresseerd. Wat ik deed in Caïro, of het beviel, of ik wilde blijven. Zij was ook studente. Haar stem gaf me vertrouwen. Ik deed mijn best me in het Egyptisch uit te drukken. Zien kon ik haar niet, afgezien van wat glinsterend oogwit achter het olijfgroene gaasje.

Het was een verwarrende, leerzame tijd. Mijn afkomst was het kader van waaruit ik deze vreemde cultuur beschouwde. Al die zeven maanden lang bleef ik observator. Het lukte mij niet in deze samenleving ook maar een ogenblik lang te participeren. Daarvoor voelde ik mij te veel en te vaak gereduceerd tot een Westerse vrouw, jong en mooi bovendien.

Regelmatig had ik de moed niet om al dat leven in de Caïreense straten het hoofd te bieden. Ik durfde mijn blik niet meer vrij te laten ronddwalen uit angst dat die door iemand gevangen zou worden. In deze omgeving voelde ik mij meer en meer een gevangene van mijn cultuur, die ik niet af kon leggen. Ondanks de cultuurschok die ik voelde toen ik weer terug in het kleine, groene Nederland was, was ik opgelucht. Frisse lucht, vrij ademen!

Ik heb nooit meer de behoefte gehad terug te gaan naar dat verre, vreemde land. Vaak heb ik getracht op basis van mijn ervaringen de Egyptenaar te typeren. Daarbij kwamen woorden als ‘amechtig’, ‘lethargisch’, maar ook ‘goeiig’ en ‘ongevaarlijk’ in mij op.

De huidige volksopstand heeft mij weer alert gemaakt ten aanzien van mijn typering van de Egyptenaar. Hoezo amechtig en lethargisch? Hoezo goeiig en ongevaarlijk? De geest is uit de fles. Ik hoop van ganser harte dat de mensen er fatsoenlijke banen met dito loon zullen krijgen. Dat er betere kansen komen voor al diegenen die jarenlang hun tijd moesten doden op straat. Het recht op perspectief heeft ieder mens. Dat heeft niets met culturele achtergrond te maken.

  3 Responses to “Egypte”

  1. Wow wat een verhaal. Liesbeth werd in alle openheid beschouwd als lustobject en als iemand die zich het gedrag maar moest welgevallen, met al die mannen die haar in de bus aanraakten en openlijk hun kruis betastten en luchtkusjes maakten als zij langs liep. Dat lijkt heel ongemakkelijk. Je kunt je er ook niet steeds tegen verdedigen door te zeggen dat ze daarmee moet stoppen.

    Die mannen gingen ver buiten hun boekje. Onbegrijpelijk dat dat gedrag zo alom aanwezig was. Het beperkt je in je bewegingsvrijheid. Het heeft toch een nare smaak gegeven aan het verblijf. Jammer dat het contact zo verliep.

  2. Dank je wel voor het delen. Mooi artikel.

  3. Een fris en helder verhaal.
    De herinnering leeft weer.
    En nu maar hopen op een beter perspectief voor het volk.
    Dank Liesbeth, ik ben trots op je.
    Ellen

 Leave a Reply

(vereist)

(vereist)