Liesbeth van der Heijden

Feb 182012
 

Zit je net rustig in het café achter een kop cappuccino, stroomt plotseling een achterkamertje vol vrouwen leeg. Er komt geen einde aan, het zijn er veel, ze nemen in een mum van tijd bezit van het café. Een kakafonie van luide stemmen die te hard lachen. Stoelpoten die over de vloer schrapen, nog te beroerd om ze even op te tillen. Wel ja, de wereld is van hen. Een jong stel zoekt van ellende een plaatsje buiten op.

Wat is dit? Wat doen ze met z’n allen in dat achterkamertje? Cursus? Waarin? Het zijn vrouwen, o zeker, maar van enige vrouwelijkheid is niets te bespeuren. Allemaal dragen ze fantasieloze kleding en non-descripte kapsels. Zouden ze een cursus ‘Het leven na de overgang’ volgen? Zou kunnen. Mijn god, als dit mijn voorland is.

Ze hebben alles laten gaan. Dat je eierstokken opdrogen, daar is niets aan te doen. Dat seks op een afstandje raakt, soit. Maar moet je dan perse op deze manier tonen dat het zover is?

Kom op dames, trek iets flatteus aan, demp uw volume en wees een beetje attent voor de anderen om u heen!

Jan 172012
 

In de jaren zeventig waren dikke kinderen een zeldzaamheid. De vraag is: kwam dat omdat dikkertjes stelselmatig gepest werden? Of kwam het wellicht omdat we de schijf van vijf hadden?

Wie kent hem nog? Hij zal inmiddels wel achterhaald zijn door allerhande ingewikkelde voedingsregels. Dat is jammer. Hij was makkelijk en overzichtelijk in het gebruik. Uit iedere schijf moest je dagelijks genoeg binnen krijgen. Op school werden er een aantal biologielessen aan gewijd. Iedereen kende hem.

Kinderen kijken nu met vragende ogen: de schijf van vijf, is dat een hulpmiddel bij het rekenen? Vooruit, daar gaan we nog een keer:

In de eerste schijf zitten groente en fruit voor de vitamientjes.
Onder de tweede schijf vallen brood, pasta en peulvruchten; rijk aan koolhydraten, eiwitten, ijzer en vitamine B.
De derde schijf behelst zuivel, vlees, vis, ei en vleesvervangers voor de nodige eiwitten en mineralen.
De vierde bevat vetten. Jazeker, ook vetten zijn goed voor je. Zonder vetten kan je lichaam bepaalde vitamines niet opnemen.
En de vijfde tenslotte is helemaal voor water. De mens bestaat bijna geheel uit water dus dat moet je goed aanvullen!

Hoe moeilijk kan het zijn om bij jou de ribbetjes weer te kunnen tellen?

Dec 212011
 

Nederland is een seculiere staat, of niet soms? Waarom hebben we hier dan nog steeds last van christelijke schoolbestuurders die weigeren een homo als leraar aan te stellen? En waarom klagen we hier over mislukte integratie terwijl we toestaan dat er islamitische scholen bestaan? Kinderen die op een verzuilde school zitten zullen het later niet gemakkelijk krijgen want ze zijn niet vrij in hun keuzes.

Ik zeg: schaf alle scholen die geënt zijn op een geloof af. Maar zorg er tegelijkertijd voor dat de openbare scholen aandacht geven aan verschillende vormen van levensbeschouwing. Op die scholen mogen mensen van allerlei pluimage les geven zolang zij het vak van leraar goed verstaan. Een goede leraar brengt kinderen kennis en kunde bij en leert ze hun standpunten te beargumenteren, bij voorkeur niet in een bepaald straatje. Wij willen toch een vrije samenleving zijn? Kinderen hebben de toekomst.

Dec 192011
 

Burgers opgelet! Goed nieuws voor boeren, milieuactivisten, vegetariërs, verantwoorde ondernemers, joden en moslims (slecht nieuws voor de slagers onder u, jammer, we kunnen niet iedereen tevreden stellen). Binnenkort zal het mogelijk zijn een mals stukje kweekgebraad te eten. Het vlees kan in de fabriek worden gekweekt uit dierlijke stamcellen. De bedenkers van dit wetenschappelijke hoogstandje claimen dat de productie ervan minder energie kost, dat het minder ruimte inneemt en dat het minder CO2 uitstoot.

En dan hebben we het nog niet gehad over de voordelen voor de dieren zelf. Zij hoeven voortaan slechts af en toe even langs de prikpost om wat vezeltjes af te staan en kunnen dan weer vrolijk terug de wei in. Weg met de megastallen waar ze een vierkante meter met soortgenoten moeten delen. Veehouders kunnen weer ouderwets een hechte band met hun dieren aangaan. Bovendien is het wereldvoedselprobleem hiermee voor een groot deel opgelost.

En als klap op de vuurpijl is het nieuwe vlees gegarandeerd kosjer en halal want überhaupt niet geslacht, laat staan verdoofd! Wat wil de moderne mens nog meer?

Dec 142011
 

Mensen, houd ermee op. Waarom in naam van allah of de onuitgesprokene zoveel ophef maken over het recht om dieren onverdoofd te slachten. Voor de duidelijkheid: ik begrijp niets van religie. Religie is achterhaald. Steeds meer mensen genieten gedegen onderwijs en leren zelf na te denken. Ze leren over het ontstaan van religie en het nut ervan in vroeger tijden. Ze leren dat god een verzinsel is van de mens die dit nodig had om wetten uit te vaardigen. Naleving van deze wetten beloofde een betere toekomst, in het hiernamaals. Een private aangelegenheid.

Wat, als we de goddelijke schakel er tussenuit halen? Als je nadenkt weet je dat je weinig of helemaal geen vlees nodig hebt om in leven te blijven. Laten we afspreken er niet meer van te eten dan noodzakelijk. Dat scheelt dierenleed. En laten we de dieren die er toch aan moeten geloven zodanig slachten dat ze er zo min mogelijk onder lijden. Of dat met een welgeplaatste haal van een vlijmscherp mes is of met een spuitje, daar kan ik het antwoord niet op geven. Ik ben geen dierenarts. Streven we dan niet op een zinvollere manier naar een betere toekomst, voor ons allemaal?

Sep 022011
 

Bedelaars zijn er in soorten en maten. Om te beginnen zijn er de brutale, agressieve types. Doelgericht komen ze op u af, geen ontwijken aan. Ze stellen zich pal voor uw neus op en vragen om een concreet bedrag. Genoeg om zich zeker te stellen van een plaats voor de nacht, een bakje koffie of als deel van een omvangrijke inzamelactie ter bekostiging van het dure dagelijkse shotje. Hoe prangender de nood, hoe agressiever de benadering. U schrikt zich een ongeluk en wilt zich zo snel mogelijk uit de voeten maken. Erg veel zin om hier en nu uw portemonnee te trekken  heeft u niet want u bent bang dat deze u in z’n geheel afhanden zal komen. U voelt in uw zakken en tot uw opluchting diept u daar een paar muntstukken uit op. U legt ze snel in de groezelige, uitgestoken hand en loopt door.

Ten tweede noem ik de ongeloofwaardige doch vastberaden bedelaars. Dit type is niet wars van een beetje toneel. Ze trekken de aandacht met hun meegebrachte kroost en ostentatief gedragen bedelaarsvodden. Vrolijk, bont en kleurrijk, dat moet gezegd. Hun presentatie verraadt dat ze de centen niet per se en onmiddellijk nodig hebben. Ze opereren vaak in groepen zodat de peuters het vak goed af kunnen kijken. Hoe meer drama ze tentoonspreiden, hoe meer u vermoedt dat ze ergens een hele dikke buidel met geld verstopt hebben, of een Mercedes om de hoek. Let op uw eerste reactie wanneer een dergelijk persoon om uw geld vraagt. Een gedachte als: “Ga toch werken”, dringt zich in deze situatie gemakkelijk op. Toch vergt het te veel van u eraan voorbij te gaan zonder de reeds vet vermoede kas te spekken met uw zuurverdiende geld.

Vervolgens verdienen de meelijwekkenden een vermelding. Zij zijn te herkennen aan een of meer lichamelijke gebreken. Ze zitten passief in een hoek of voor een winkel, maken geen contact, maar wekken met hun stille aanwezigheid uw medelijden. Het is onmogelijk zonder enig gevoel van mededogen aan hen voorbij te gaan. Wanneer u geen muntje werpt, voelt u zich hopeloos schuldig. Ook na het muntje blijven zij stil en passief. Soms danken ze met een nauwelijks waarneembare neiging van het hoofd. Dit beeld blijft op uw netvlies staan. U draagt het een tijd met u mee.

Tenslotte is er een groep die ik zou willen omschrijven met ‘zij die het net niet gered hebben’. Zij die het net niet gered hebben, kijken u meestal aan terwijl ze u om uw gunst vragen. Verder herkent u ze aan de gedachte die zich vrijwel direct manifesteert als u zo iemand ontmoet: “Wat is er met deze mens gebeurd?”. Er is een soort verwantschap want zover staat hij niet van u vandaan. U voelt compassie. Met hem? Met uzelf? Hetzelfde lot zou ook u kunnen treffen, misschien is er niet eens zo veel voor nodig. Een ongeluk komt immers nooit alleen. Geen huis meer, geen geld, geen baan. Door een domme samenloop van omstandigheden, en ook wel door uw eigen stomme schuld is het mis gegaan. Uw nieuwsgierigheid naar zijn levensloop is gewekt. Zou u het aandurven hem uit te nodigen voor een kop koffie? Of een gesprek met hem aan te knopen? Of toch maar liever niet, u mocht eens niet meer van hem af komen.

Zou er zo iemand als ‘de ideale bedelaar’ bestaan? Ja, u natuurlijk! U zou proberen uw waardigheid, uw menselijkheid te behouden. U zou ervoor zorgen dat u er in de gegeven situatie zo verzorgd mogelijk uitziet, en in geen geval deerniswekkend of afstotelijk. U zou nooit op het schuldgevoel van de mensen inspelen, of ze lastigvallen. Nee, u niet. U zou de mensen rustig en vriendelijk tegemoet treden wanneer u hen om een aalmoes vraagt. Wanneer men u die gunt zou u glimlachend uw dank betuigen. Indien de haastige passant geen tijd heeft, even goede vrienden. Waarschijnlijk zou u proberen zelf iets in de aanbieding te hebben. Een vriendelijk woord of als u begiftigd bent met enig muzikaal talent zou u een simpel, maar charmant stukje muziek ten beste geven. U bedelt met verve. Men lacht u toe, geeft en loopt zonder een spoor van irritatie verder. Jawel, u zou waarachtig de ideale bedelaar zijn!

Afhankelijkheid, dat is waar ik naartoe wil. Dat een bedelaar van jouw gift afhankelijk is, mag zonneklaar zijn. Voor de brutalen zal dat shotje er komen, goedschiks (met jouw hulp) of kwaadschiks. Van de bedelaars die doen vermoeden reeds stapels geld te bezitten ben jij de werkgever. Zij menen in vrijheid te leven en hebben van bedelen hun professie gemaakt. De meelijwekkenden kwijnen nog rapper weg zonder jouw gift. En zij die het net niet gered hebben? Zij balanceren op het randje van afhankelijkheid. Misschien zullen ze weer in staat zijn een bestaan op te bouwen, een huis, een baan en geld te hebben. Misschien niet. Misschien kun je hen net dat duwtje geven, door je belangstelling te tonen.

Hoe zit het eigenlijk met het gevoel van afhankelijkheid bij jou, als gever? De bedelaar doet in meer of mindere mate een appel op jouw geweten. Hij confronteert je met je welvarendheid en met je gevoelens van schaamte en schuld daarover jegens hem. Je durft de mens tegenover je wellicht niet in de ogen te zien uit angst tot de orde geroepen te worden door de stem van je geweten. De bedelaar, in zijn miserabele omstandigheden, drukt je met de neus op het feit dat jij een slaaf bent van je schuldgevoel. Door te geven kun je dat gevoel inlossen. Door het na te laten, zul je het moeten wegpraten, of wegstrepen door later op de dag een andere bedelaar wel een kleinigheidje toe te stoppen. In elk geval zul je er iets mee moeten. In het contact met de bedelaar wordt je wellicht plotseling een wederzijdse afhankelijkheid gewaar, daar waar je voorheen je schuldgevoel simpelweg eenzijdig afdeed met ergernis of minachting.

Zo verging het mij onlangs, in de Berlijnse U-Bahn. Een grove, jonge vrouw met kroezend haar en een bleek gezicht kwam de metro in. Met een te harde, monotone stem en veel aplomb deed ze haar verhaal. Omdat ze zich zo agressief presenteerde, merkte ik dat ik wegkeek. Ik wilde dat ze nooit ingestapt was en me met rust liet. Ik liet haar weer uitstappen zonder iets te geven. Dat knaagde. Per slot van rekening is ze een arme sloeber die op deze manier haar geld bij elkaar probeert te schrapen. Een andere mogelijkheid heeft ze misschien niet. Daarmee heeft ze me in haar macht. Zij mag dan afhankelijk van mij zijn, ik ben het ook van haar.
Deze vrouw had haar voeten nog niet gelicht of een magere man van middelbare leeftijd stapte de wagon binnen. Op een bescheiden toon vertelde hij de reizigers waarom hij daar was en of de mensen zo vriendelijk wilden zijn hem ‘eine kleine Spende’ te geven. Ik gaf hem een muntstuk, hij keek me kort aan met zijn lichtgrijze ogen en bedankte. Ik kon eenvoudig niet niets geven. Of het kwam door zijn lawaaiige voorgangster of door zijn eigen ingetogen houding. Ik weet het niet. Maar mijn schuldgevoel was weg.

 

Jan 302011
 

Negentien jaar geleden verbleef ik zeven maanden in de Egyptische hoofdstad Caïro, een krioelende miljoenenstad. Ik woonde er op diverse plekken. In de drukke winkelstraat Talat harb, vlakbij Midan at-Tahrir waar het nu wemelt van de oproerkraaiers. In een met glanzende krulmeubels ingericht appartement in de volkswijk Imbaba. In een sober appartement op Zamalek, het voornamelijk door Westerlingen bevolkte eiland in de Nijl. En tenslotte in een oude verkrotte woonboot op de Nijl waar nog enigszins frisse lucht was. Ik had behoefte aan frisse lucht.

Ik was een jonge vrouw van 22 jaar, onmiskenbaar Westers. Al had ik het gewild, ik had het niet kunnen verbergen, het zal mijn oogopslag wel geweest zijn. Ik keek er ook werkelijk mijn ogen uit. Wat een wereld! Altijd lawaai, altijd leven. En oneindig veel mensen. Overal.

Ik had een doel. Ik leerde er Modern Standaard Arabisch en het Egyptische dialect, van meneer Hashim. ‘Hashim mish kwayyis’ zei hij altijd voor de grap; ‘Hashim deugt niet’. Zou dat typische humor van de Egyptenaar zijn geweest? Of alleen van meneer Hashim? Hij was natuurlijk beregoed, anders had hij nooit dat baantje aan het Nederlands-Vlaamse Instituut kunnen krijgen, lucky Hashim. Langs welke ondoorgrondelijke wegen van het Egyptische wasta-systeem, waarin iedereen een potentiële weldoener is, had hij dat weten te bemachtigen? De Egyptenaar is ook altijd vriendelijk. Wie weet kan Ahmed of Yusuf hem wel een keer een betrekking hier of daar bezorgen. Als je hem een keer hebt afgesnauwd zal Ahmed of Yusuf daar niet meer zo toe genegen zijn. Zo zit het in elkaar.

Op mijn dagelijkse gang naar het instituut kwam ik veel Egyptenaren tegen. Ook al zorgde ik ervoor dat ik decent gekleed ging, geen blote ledematen toonde of strakke kleding droeg, de Egyptische man wist mij wel te vinden. Degene die mij tegemoet kwam krabde zich eens uitgebreid in het kruis, onderwijl kusgeluidjes makend. Degene die mij achterop kwam zou mij nooit gaan inhalen, nee, zo had hij de kans op aangename wijze drie kwartier van zijn dag door te komen.

Onderweg met de minibus ging het al net zo. Altijd begon het wel ergens te kriebelen. Na enig speurwerk van mijn kant bleek dat de jongeman naast mij op onopvallende wijze de onderkant van mijn been aan het beroeren was. En een andere keer was de man naast mijn buurman de boosdoener. Losjes gearmd zaten zij naast mij, dat is een heel normaal straatbeeld, waarbij buurmans buurman mijn schouder streelde.

Er waren er ook die iets minder lichamelijk ingesteld waren, die meer in waren voor een praatje. Een buitenkansje, zo’n alleen reizende Westerse studente.  En natuurlijk niet alleen om je Engels eens wat op te vijzelen, wie weet…. ‘Don’t let me do all the talking’ was het dan, als ik het gesprek voor gezien hield omdat het nergens toe leidde.

Dat waren de mannen, zij lieten tenminste nog een eenduidig beeld zien. Maar dan de vrouwen. Wat een diversiteit! Van ongesluierd en supersexy (minirok, stilettohak) via alle gradaties van gesluierd zijn naar volledig gezichtsbedekkend. Dwars daardoorheen toonde zich een tweede continuüm, van slonzige armoe naar op en top vrouwelijke elegantie. Om het nog verwarrender te maken was daar nog een derde aspekt, dat zich van de mate van sluiering of elegantie niets aantrok: hun houding ten opzichte van de Westerse vrouw (of alleen ten opzichte van mij?) die kon variëren van nieuwsgierig hulpvaardig tot ronduit agressief.

Een keer was ik te voet onderweg. Ik droeg die dag een lange, wijde jurk met driekwart mouwen. Ik passeerde een groepje leeftijdgenoten. Enkelen droegen een klein, naar achteren geknoopt hoofddoekje, anderen een sluier tot over de schouders, maar met het gezicht vrij. Zij smiespelden en begonnen mij aan te staren. Toen ik naderbij kwam riep er één: ‘da galabiya walla fustan’. Toen ik voorbij was lachten ze me uit. Het klonk vals. Of ik een mannengewaad droeg of een jurk hadden ze zich hardop afgevraagd. Weer niet goed.

Een andere keer hing ik in het middenpad van een drukke stadsbus aan een lus. De lus naast die van mij bood houvast aan een slanke, groen gehandschoende dameshand. Nieuwsgierig keek ik vanuit mijn ooghoek verder. De dame in kwestie ging van top tot teen, en dan bedoel ik ook van top tot teen, in prachtige groenschakeringen gekleed. Ze sprak me aan. Haar stem klonk vriendelijk, geïnteresseerd. Wat ik deed in Caïro, of het beviel, of ik wilde blijven. Zij was ook studente. Haar stem gaf me vertrouwen. Ik deed mijn best me in het Egyptisch uit te drukken. Zien kon ik haar niet, afgezien van wat glinsterend oogwit achter het olijfgroene gaasje.

Het was een verwarrende, leerzame tijd. Mijn afkomst was het kader van waaruit ik deze vreemde cultuur beschouwde. Al die zeven maanden lang bleef ik observator. Het lukte mij niet in deze samenleving ook maar een ogenblik lang te participeren. Daarvoor voelde ik mij te veel en te vaak gereduceerd tot een Westerse vrouw, jong en mooi bovendien.

Regelmatig had ik de moed niet om al dat leven in de Caïreense straten het hoofd te bieden. Ik durfde mijn blik niet meer vrij te laten ronddwalen uit angst dat die door iemand gevangen zou worden. In deze omgeving voelde ik mij meer en meer een gevangene van mijn cultuur, die ik niet af kon leggen. Ondanks de cultuurschok die ik voelde toen ik weer terug in het kleine, groene Nederland was, was ik opgelucht. Frisse lucht, vrij ademen!

Ik heb nooit meer de behoefte gehad terug te gaan naar dat verre, vreemde land. Vaak heb ik getracht op basis van mijn ervaringen de Egyptenaar te typeren. Daarbij kwamen woorden als ‘amechtig’, ‘lethargisch’, maar ook ‘goeiig’ en ‘ongevaarlijk’ in mij op.

De huidige volksopstand heeft mij weer alert gemaakt ten aanzien van mijn typering van de Egyptenaar. Hoezo amechtig en lethargisch? Hoezo goeiig en ongevaarlijk? De geest is uit de fles. Ik hoop van ganser harte dat de mensen er fatsoenlijke banen met dito loon zullen krijgen. Dat er betere kansen komen voor al diegenen die jarenlang hun tijd moesten doden op straat. Het recht op perspectief heeft ieder mens. Dat heeft niets met culturele achtergrond te maken.