Hanno Wupper

Sep 122013
 

Dit is de tweede aflevering van een serie over gebrekkige kwaliteit in de digitale wereld. Zin en Rede hoopt dat meer mensen zullen morren, al beschrijft deze aflevering een voorbeeld waar morren bijna onmogelijk is. 

Vandaag gaat het om integriteit, een begrip uit het begripssysteem van de architectuur voor de digitale wereld.

We noemen een product, een bouwwerk of een organisatie integer als elk onderdeel ervan in de dienst van het doel van het ding c.q. de missie van de organisatie staat.

De Rabo-Bank Kerkrade bijvoorbeeld is zeker geen integer instituut. Onlangs werd daar eeuwen oud zilver, dat een klant in bewaring had gegeven, uit de kluis opgeruimd en bij het vuilnis gezet, omdat men niet wist, wat en van wie het was. Wat de missie van de Rabo-Bank ook precies wezen moge, het kan niet dat (1) zo’n organisatie geen systeem heeft om na te gaan wiens eigendom haar bezitten zijn, (2) dingen in de kluis niet veilig zijn maar bij het opruimen weggeworpen worden, (3) de medewerkers niet weten wat zilver is. Drie keer een ernstige inbreuk op de integriteit.

Integriteit is tegenwoordig bijna overal een probleem, en dat heeft een oorzaak.


Stel het is uw taak uw man iedere ochtend met een lekker kopje koffie te wekken opdat hij zijn dag op het juiste moment optimaal kan beginnen. Dan moet u een interface tussen uw verantwoordelijkheden afspreken. Bijvoorbeeld dat uw man uiterlijk middernacht een briefje met de gewenste wektijd op een bepaalde plek legt. Als hij dit gedaan heeft en hij wordt te vroeg, te laat of helemaal niet gewekt of de koffie is niet lekker, draagt u de verantwoordelijkheid voor een chagrijnige dag.

Zo was het vroeger met de PTT. Als iemand zijn telefoonrekening betaald had en het toestel op de juiste manier gebruikt, was de PTT geheel verantwoordelijk ervoor dat gebeld kon worden. Of de storing in het toestel, ergens in de leiding tussen telefooncentrale en toestel of in de telefooncentrale lag, maakte voor de klant niet uit. Het moest het gewoon doen.

Oudere mensen zullen zich herinneren hoe het toen ging: Je belde het storingnummer en kreeg iemand aan de lijn die er verstand van had. De auteur woonde in een grote stad, computers waren er nog nauwelijks, maar de meneer die de storingtelefoon opnam zei direct: “O, u woont bij de rivier. Daar hadden we problemen met hoog water. Ze zijn ermee bezig. Mag ik over twee uur terugbellen om te horen of het opgelost is?” Een andere keer zei hij: “Dat zal vast weer met de bedrading van uw huis te maken hebben. Bekend probleem. Ik stuur meteen iemand langs.”

Deze mensen waren ten eerste doordrongen van de missie van de PTT: Mensen moeten kunnen bellen. Ten tweede hadden ze verstand van het hele traject vanaf de schakelzaal in het hoofdkantoor tot en met het toestel thuis bij de klant. En ze hadden alle nodige plattegronden onder handbereik. Toen kon dat.

Ook spoorwegmensen, van stationsopzichter tot wisselwachter, waren doordrongen van hun missie: de treinen moeten rijden. In noodgevallen konden zij ook buiten hun boekje gaan en een probleem creatief oplossen. Zo heeft een oude verkeersleider aan de auteur verteld dat hij tegen alle regels in even zijn werkplek had verlaten om met eigen handen een egel uit een wissel te verwijderen. Hij kon beoordelen dat lang genoeg geen treinen konden komen en nam de verantwoordelijkheid. Hij wist ook dat zijn meerderen deze niet helemaal legale ingreep zouden steunen.

We noemen een organisatie, een stuk techniek of een mens integer als deze doordrongen is van de missie en geen enkel onderdeel van de missie tegenwerkt.

Terug naar uw eigen thuismissie. Tegenwoordig is het gebruikelijk, zich te verschuilen achter een derde partij. “Dat de koffie niet smaakt ligt eraan dat Douwe Egberts het recept veranderd heeft. Dat kon ik niet weten. Ik heb wél het juiste merk gebruikt.”  Men kan er dan over ruziën of het onder uw globale verantwoordelijkheid voor lekkerheid valt, om met steekproeven na te gaan of de kwaliteit van het koffiemerk verandert.

Als uw man daar niet intrapt, kunt u een ingewikkelder interface voorstellen, dat een deel van de verantwoordelijkheid bij hem legt, bijvoorbeeld dat hij geacht wordt ervoor te zorgen dat er altijd een werkend, ontkalkt koffiezetapparaat beschikbaar is, dat de gewenste koffiebonen – welke dat ook wezen mogen – altijd op voorraad zijn en dat de elektriciteitsrekening betaald is. Uw mooie taak wordt dan eenvoudiger.

Misschien wilt u best een taak die veel werk met zich meebrengt, maar u wilt geen beslissingen nemen, met name niet over wat lekker is. Dan spreekt u af dat u weliswaar voor het koffiezetapparaat en de bevoorrading verantwoordelijk bent, maar dat uw man het koffiemerk kiest. Het begrip “lekker” doet er dan niet meer toe, u kunt uw gelijk bewijzen door aankoopnota’s van het gewenste merk te overleggen.

Vindt u dit artikel hier nu wereldvreemd beginnen te worden? Dan heeft u de contracten die u moet aanvaarden bij het downloaden van software altijd weggeklikt zonder ze te lezen.

Omdat het afspreken van een goed werkend, niet voor misverstanden vatbaar interface moeilijk is kunt u misschien beter een relatie-interfaceconsultatiebureau inschakelen. Dat zorgt ervoor dat in goed overleg met u beiden een boekwerk van afspraken komt. Als dan bij het wekken met lekkere koffie iets mis gaat, kan het aan uw man liggen, die zich misschien verschuilt achter zijn toeleveranciers (“ik heb de elektriciteitsnota heus wel betaald, maar ze leveren geen stroom”), aan u, die zich ook achter iemand anders verschuilt of aan het relatie-interfaceconsultatiebureau, dat geen goed werk heeft geleverd. Omdat het interface toch al zo ingewikkeld is dat iedereen het wegklikt, profiteren hier alleen de advocaten van de diverse partijen van. Inhoudelijk is alles drijfzand. Dit heeft dus met integriteit niets meer te maken.

Vroeger hing mijn telefoontoestel in de gang naast de meterkast, en aan de andere zijde van de muur hing het toestel van de buurman. Als wij wilden bellen, was onze verantwoordelijkheid het betalen van de telefoonrekening en het juiste gebruik van het toestel. Heel eenvoudig, want je kon alleen draaien en ophangen. Al het andere was de verantwoordelijkheid van de PTT, die zich die verantwoordelijkheid ook aantrok, met inbegrip van de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de toestellen, al stond daar Philips op. Het zelf kopen en aansluiten van een telefoontoestel was ondenkbaar. We wilden graag goedkope, illegaal geïmporteerde telefoontoestellen zelf aansluiten, en op een gegeven moment mocht dat, al was men dan wel verantwoordelijk voor het bewaken van de aansluitfactor. Vrijheid, blijheid! En sluipenderwijs raakten we eraan gewend, de fout bij ons zelf te zoeken en eindeloos te experimenten, als iets niet werkte. Terwijl de PTT zich achter van alles kon verschuilden en steeds verder opgesplitst werd.

Als ik nu vanuit mijn slaapkamer met een door me zelf aangeschaft draadloos DECT-toestel mijn buurman bel, loopt het signaal door de ether naar een DECT-basisstation dat in mijn Fritz!Box geïntegreerd is, wordt daar vertaald naar een digitaal SIP-telefoonsignaal dat via Internet doorgegeven en alleen door mijn internetprovider xs4all verder de wereld in gestuurd kan worden. Al mijn internet-signalen samen worden door andere onderdelen van dezelfde Fritz!Box vertaald naar een DSL-signaal en op een ouderwetse, analoge tweedraads koperen PTT-telefoonlijn gemoduleerd. De PTT levert mijn internetgebeuren bij xs4all af, waar mijn SIP-telefoonsignaal naar de telefoonprovider van de buurman doorgegeven wordt. Die vertaalt het naar een ouderwets analoog signaal en geeft het door aan de PTT, die het op twee koperdraden doorgeeft naar het huis van de buurman, waar nog steeds een ouderwets analoog telefoontoestel aan de muur hangt. Alleen heeft de zoon van de buurman ondertussen internet, ook via DSL, aangeschaft. Dus hangt daar een doosje dat het DSL-signaal van de koperen leiding afroomt en naar de kamer van de zoon doorgeeft en alleen het analoge telefoonsignaal doorstuurt naar het ouderwetse toestel. Als u dit verhaal kunt volgen, kunt u aangeven hoe de signalen lopen als de zoon met zijn Skype-nummer op zijn computer zijn eigen vader belt. In onze wijk hebben we nog geen glasvezel, anders had vast of mijn buurman of ik glasvezel i.p.v. koper, wat het nog ingewikkelde maakt.

Bellen moet gewoon werken, maar ik ben nu met mijn buurman via bijna een dozijn verschillende verantwoordelijken verbonden, met allemaal interfaces en interfacebureaus ertussen, die zich allemaal achter derden verschuilen. In dit voorbeeld zijn de Fritz!Box en het doosje van de buurman zogenaamde modems, dingen die een interface hebben voor allerlei soorten informatie die van buiten via allerlei soorten verbindingen het huis binnenkomt en aan van alles binnen het huis gekoppeld wordt. Het idee is dat de klant daar niets van merkt, maar het zijn technisch buitengewoon complexe schakelingen, in veel te veel verschillende soorten, waarvan sommigen zich ook nog met het tv-signaal bemoeien, en je kunt ze ook nog eens verkeerd aansluiten aan al die kabeltjes en verkeerd configureren. Daar is een derde, vierde en vijfde partij voor verantwoordelijk. Althans, de organisaties waarmee u een contract heeft, kunnen altijd alles op de modem afschuiven, want het tegendeel is moeilijk te bewijzen.

Dat het überhaupt nog werkt is ongelofelijk. Elk van die partijen stuurt namelijk op haar eigen doel. Er is niemand meer betrokken bij de zin van het geheel. Dat merkt u als het niet werkt. Dan zou u graag willen dat een integere PTT het oplost. Maar die is zelf opgelost, en u krijgt te maken met een hulplijn. Daar zullen we het de volgende keer over hebben.

Jun 012013
 

Zin en Rede begint een serie over kwaliteit in de digitale wereld. Veel software is namelijk slecht ontworpen en slordig uitgevoerd, bevat fouten of verlangt van de gebruiker onnodige handelingen, terwijl de informatica al lang heeft getoond hoe het beter kan. Vergelijkbare kwaliteitsgebreken bij auto’s of koffiezetapparaten zou niemand accepteren. Kranten zouden er misprijzend over schrijven. De makers zouden de producten terug roepen. Maar bij softwareproducten accepteren we de ergste gebreken zonder morren.

Zin en Rede hoopt dat meer mensen zullen morren. Ook wie geen IT-expert is kan namelijk vaak prima beoordelen dat er iets mis is. Men moet zich alleen niet laten intimideren door techneuten die zeggen dat het niet anders kan en dat men te dom is om dit te begrijpen.

In het eerste deel beschrijven we de problemen met een product, in het tweede deel geven we een oordeel in termen van het begripssysteem van de architectuur voor de digitale wereld zo als uitgelegd in het gelijknamige boek van Hanno Wupper.

Vandaag gaat het om drie begrippen: 

Materiaalbeheersing. Elk IT-product bestaat uit hardware en software. Dat is het materiaal zo als in de architectuur van huizen baksteen, hout en glas materiaal is. Wie iets bouwt, moet zijn materiaal beheersen. In de IT betekent dit dat je bijvoorbeeld goed moet kunnen modelleren en programmeren en dus recente resultaten van de wetenschap Informatica beheersen, die daarover gaan.

Domeinkennis. Veel IT-producten zijn gemaakt voor een bepaald toepassingsgebied buiten de IT. Wie zoiets maakt, moet dus ook kennis van het toepassingsgebied hebben, en die leer je niet in een zuivere IT-opleiding. De beste programmeur kan geen programma voor de belastingaangifte maken als hij geen verstand van belastingen heeft en niemand hem bijstaat, die dat wel heeft.

De menselijke maat. Veel IT-producten zijn er gemaakt om door mensen gebruikt te worden. Los van domeinkennis van toepassingsgebieden moet men dus ook weten waarmee mensen goed kunnen werken en wat ze prettig vinden.

Vandaag hoort de auteur stemmen tijdens het rijden.  Continue reading »

Okt 022012
 

Tegen wateroverlast kan men op vier manieren iets doen.

Ten eerste kan men onmiddellijk polders evacueren of zandzakken op dijken leggen of dijken juist doorsteken om het water stroomopwaarts ruimte te geven. Eigenlijk is het dan al te laat.

Uit zulke ervaringen kan men leren en, ten tweede, op korte termijn voorzorgsmaatregelen treffen: dijken, dammen en sluizen bouwen, sloten graven, polders bemalen en stormvloedkeringen in waterwegen plaatsen, in de hoop dat wat eenmaal gebeurd is nu niet meer kan gebeuren. Helaas, zo leert men, hebben deze lokale maatregelen ook negatieve invloed en verhogen stroomafwaarts juist de kans op overstromingen.

Daarom maakt men, ten derde plannen om op middellange termijn het water stroomopwaarts meer ruimte te geven of extra geulen te graven of geulen te verdiepen om het water beter door te laten stromen. Kenmerkend is hier dat men niet alleen lokaal tegen concrete overlast optreedt maar een groter gebied in samenhang beschouwt en dat men bereid is om ingrepen van de tweede aard weer ongedaan te maken, bijvoorbeeld door dijken terug te verleggen.

Helaas blijft het water wassen. De poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt, en het regent steeds meer. Dit gebeurt zo langzaam dat de verandering zich onttrekt aan ons gevoel, onze intuïtie en ervaring. We kunnen ze heel goed negeren, en de politiek in de meeste landen doet dat ook. Alleen wie bereid is om resultaten van de wetenschap met ijzeren logica toe te passen komt tot de conclusie dat we, ten vierde, nu iets tegen de klimaatverandering moeten doen om op lange termijn catastrofen te voorkomen. Het verraderlijke is dat de maatregelen die we nu moeten treffen schijnbaar niets met zee, rivieren en regen te maken hebben, maar met stoken, verkeer, productie van goederen, en dat alleen een globale aanpak helpt. Dat zo’n globale aanpak succes heeft, zullen we nooit op korte of middellange termijn ervaren. Alleen als het zonder zo’n aanpak tot een catastrofe komt, zullen we het weten, maar dan komt berouw te laat. Als er nog iemand is om te berouwen.

Rijkswaterstaat is competent wat alle vier deze manieren betreft en heeft computermodellen om de uitwerking van ingrepen te voorspellen. Nederland is gewend om naar Rijkswaterstaat te luisteren. Ook zijn er waterschappen, die naar grotere samenhangen op middellange termijn kijken.

Tegenwoordig worden we niet alleen door water bedreigd maar ook door geld. Geld bestaat al lang niet meer uit onschuldige muntjes die van eigenaar wisselen. Geld, genoemd “de financiële markten”, is tegenwoordig net als water een mondiaal systeem dat met alles op deze wereld samenhangt, zijn eigen dynamiek heeft en door niemand meer helemaal begrepen wordt. Financiële catastrofen kunnen onmetelijke schade aan hele landen en bevolkingen toevoegen.

Geld stroomt en wervelt daarbij veel sneller dan water. De computersystemen van de financiële markten speculeren met de maximale snelheid van computers. Dat betekent dat men hun gedrag niet door computersimulaties kan voorspellen. Computers kunnen niet sneller dan computers zijn.

Tegen de gevaren van het huidige geldsysteem kan men op precies dezelfde vier manieren iets doen als tegen de gevaren van water.

Ten eerste kan men onmiddellijk ingrijpen door de handel een poosje stil te leggen, een munt te devalueren, nieuw geld te drukken. De huidige pogingen om banken of muntsoorten te redden hebben veel van zandzakken en dijkdoorbraken. Desnoods geven we Griekenland maar op om erger te voorkomen.

Ten tweede praten financiële mensen nu steeds vaker van “instrumenten” die ze hebben bedacht en afgesproken om toekomstige problemen te voorkomen. Een nieuw dijkje hier, een dammetje daar en een grote poort die men kan openen en sluiten, dat soort dingen. Ze geloven daarmee op korte termijn alles onder controle te hebben en zijn tevreden. Maar elke lokale ingreep dreigt elders weer voor nieuwe problemen te zorgen. Helaas reikt de visie van financiële mensen en economen niet verder dan dit.

Gelukkig durven nu her en der politici verder te kijken en ingrepen voor te stellen die de financiële markten op middellange termijn in toom moeten houden: demping van hoogfrequente computerhandel; belasting op transacties; verbod van bepaalde derivaten; boete op storneren van transacties omdat steeds vaker transacties alleen aangevraagd worden om de markt te beïnvloeden, niet omdat men ze werkelijk wil uitvoeren; verbod op “naked short selling”. Maar al deze voorstellen wordt meteen de kop ingedrukt door financiële mensen, die beweren het beter te weten, net zo als bij elke ingreep in de waterhuishouding ergens een betrokken boer ertegen is. Wie boert wil doorgaan met boeren en heeft geen boodschap aan hinderlijke betutteling op zijn erf. Zoiets als Rijksgeldstaat en geldschappen is er niet, en dat zullen we gauw betreuren.

De nu voorgestelde maatregelen op middellange termijn zijn beslist nodig, net als bij het water, maar we moeten ook leren dat we in de economie met een mondiale klimaatverandering te maken hebben die op lange termijn bestreden moet worden. Het hele denken over markten en onuitputtelijke groei deugt namelijk niet. We zijn wereldwijd in de greep van een nieuwe geldreligie die ethisch onverantwoord is, de aarde steeds verder uitput, onze beschaving steeds meer uitholt, de mensen steeds dommer maakt en dus steeds meer op een catastrofe afstuurt. En net als met het klimaat merken we dit niet. Intuïtie, gevoel, ervaring laten ons in de steek. We moeten iets aan onze ethiek van steeds meer doen ook daar, waar het schijnbaar niets met geld te maken heeft, en dit wereldwijd, net als bij het klimaat. Anders komt de catastrofe, en dan is het te laat voor berouw.

Hanno Wupper is universitair hoofddocent Informatica in Nijmegen, onderwijst toegepaste logica en is auteur van het boekje Geld und gut . De titel van de Nederlandse vertaling door Frans Schütt luidt Geld en goedDaar wordt uitgelegd wat met “geldreligie” bedoeld is en wat de rol van de staat zou moeten zijn.

Mrt 202010
 

De les van een koningin die over haar graf heen regeert

Op 20 maart 2004 overleed een vrouw die jaren voor haar dood het contact met onze tijd verloren had. Ze bleek veel details van haar uitvaart nog zelf geregeld te hebben. We leven in moeilijke tijden, en juist nu kunnen we leren van een koningin uit een andere tijd.

Terwijl de Betuwelijn vastliep in het zand, de Nederlandse kranten en winkels verkocht werden aan het buitenland en niemand meer exacte wetenschappen wilde studeren keken we naar een sprookje met koningen, koetsen en een geheimzinnige grafkelder. Toen de kist voor de laatste keer opgetild werd konden we onze tranen moeilijk bedwingen.

Vele duizenden mensen uit honderden beroepen hadden zich op die dinsdag samen ingespannen voor een perfect kwaliteitsproduct. Ongekend is dat leden van de regering van tevoren moesten oefenen wat ze zouden zingen. De muziek: grensverleggend en toch perfect. Het dragen van de kist: ongewoon en toch vlekkeloos. Hooggeplaatste mensen gaven zich bloot. Het geheel was zo aangrijpend omdat schoonheid en kwaliteit samen vielen. En het was allemaal van ons, want Juliana was van ons allemaal.

Wij. In Juliana’s regeringstijd waren ook de spoorwegen en posterijen van ons, wij konden vliegtuigen bouwen dankzij Fokker en onze technische hogeschool Delft, en zelfs de grootste kruidenier was één van ons. Wanneer een telefoon niet werkte, voelde zich elke PTT-medewerker persoonlijk verantwoordelijk, en de regering voelde zich verantwoordelijk voor de PTT.

Nu alles geveild en verkocht is, voelt niemand zich meer betrokken. Hoe lang duurt het voor u iemand aan de lijn krijgt die verstand van zaken heeft? Iedereen met wie u spreekt is in loondienst van een call-center ergens in een andere provincie. Als dit alles niet meer van ons is, van wie is het dan? Van een paar mannetjes die des te meer verdienen naarmate hun bedrijven slechter presteren.

Kwaliteit. Nederlandse vliegtuigen waren gewaardeerd omdat ze perfect waren. Niet altijd is perfectie met het blote oog te zien. Zo speelde in dat vergeten tijdperk Nederland ook een leidende rol in de ontwikkeling van de informatica. Hoe bijvoorbeeld één computer een heleboel totaal verschillende dingen tegelijk kan doen: het is in dit land bedacht en niet in Amerika. In die tijd was het streven van onderzoekers: hoe kunnen we iets bedenken dat zo goed mogelijk, zo eenvoudig mogelijk functioneert? Wat aanmodderen, en zodra iets met hangen en wurgen begint te werken het platte geld zoeken – daarmee was toen niemand tevreden.

Nu rijden de treinen niet meer op tijd, doet een brief er langer over dan twintig jaar geleden, kunnen we geen computers, vliegtuigen en auto’s meer bouwen en begeven de dijken het op een onschuldige herfstdag. Alles kwakkelt, zelfs het elektriciteitsnet, en we leggen ons erbij neer. Vooruitgang, jazeker: ieder jaar een nieuw mobieltje. Maar waar zien we nog iets wat werkelijk goed werkt en dat ook een tijdlang blijft doen? Wat hebben we nog waar we trots op zijn?

Schoonheid.Schoonheid is uit. Overal plakt reclame op; alles vloekt met elkaar; onze hele omgeving is een belediging voor het oog. Veel mensen reageren op deze lelijkheid met: “o, maar dat zie ik niet eens.” Juist! Dat is de oorzaak van de ellende. Kwaliteit en schoonheid zijn namelijk onlosmakelijk verbonden. Die Nederlandse uitvindingen omtrent computers bijvoorbeeld, die waren het resultaat van een streven, dingen zo eenvoudig te maken dat ze mooi werden.

Nu niemand meer exacte vakken wil studeren, lanceren overheid en universiteiten de ene campagne na de andere om te verzekeren dat je ook met een bèta-studie snel rijk kunt worden. Dit gaat voorbij aan de kern van de wetenschap: de grootste ontdekkingen zijn ingegeven door een streven naar schoonheid. Wie begint aan een exacte studie, kan aan den lijve ondervinden dat wetenschap alles behalve droog en saai is. Maar we hebben er geen oog meer voor, en geen lef, naar schoonheid te verlangen.

Onze Juliana was zogenaamd de rijkste vrouw van de wereld. Tijdens haar laatste levensjaren bewonderden we de rijkste man van de wereld. Zijn imperium is gebouwd op een besturingssysteem voor computers dat al verouderd was toen het op de markt kwam. Informatici staan verstild van zo veel lelijkheid bij elkaar. De rijkste man van de wereld verdiende daaraan volgens de kranten 23 cent op elke door ons bestede Euro. Dat we ooit zelf prachtige computers en programmeertalen konden maken, wil niemand meer weten. We bewonderen niet Edsger W. Dijkstra (ja, wie was dat eigenlijk?) maar Nina Brink.

Enkele jaren geleden werd een oude vrouw uit een voorbij tijdperk ten grave gedragen. Over haar graf heen regerend leerde ze ons een les: ons samen inspannen voor kwaliteit en schoonheid tegelijk – we kunnen het nog steeds. We kunnen interdisciplinair samenwerken, koetsen op tijd laten rijden en internationaal bewondering oogsten. Zonder dat er enige reclame aan te pas komt.

Juliana wilde dat “Morgenstimmung” gespeeld werd op haar allerlaatste stukje weg.


Mrt 032010
 

Aan de achterkant van het Olympiastadion-complex in Berlijn staat de Glockenturm, met daarnaast de Waldbühne en de Murellenschlucht.

We gaan met de S-Bahn naar Pichelsberg en verlaten het station richting oosten (centrum). Rechts tegenover de uitgang van het station is een eenvoudige uitspanning, waar de koffie onverwacht goed is, want per kop gezet uit vers gemalen bonen.

We lopen een paar honderd meter bergop naar de Glockenturm. Op de begane grond is er een kleine maar indrukwekkende tentoonstelling over bouw en geschiedenis van het stadion met twee films die zeer de moeite waard zijn. Dan met de lift omhoog, en we hebben een schitterend uitzicht niet alleen op het stadion, maar over heel Berlijn aan de ene en Potsdam aan de andere kant. Betrekkelijk weinig touristen weten deze toren te vinden.

In het Olympiacomplex liggen keizerrijk, de olympische gedachte, het Derde Rijk en modern voetbal beangstigend dicht bij elkaar. Bekijk de films!

En meteen ernaast de Waldbühne en één van de mooiste stukjes ijstijdlandschap. Culturele en natuurlijke schoonheid – op een met bloed doortrenkte plek waar je de gruwelen van de oorlog vandaag nog voelt. Hier werden honderden jongemannen doodgeschoten ter afschrikking. Het is beschreven in deze virtuele wandeling.

Dec 202009
 

Berlijn heeft naast het grote Holocaustmomument er ook nog een klein, vrijwel vergeten, dat door zijn stilte en eenzaamheid ontroert.

Ga met de S-Bahn naar Grunewald en zoek Spoor 17. De avondschemering is een goede tijd.

Dec 192009
 

Midden in Nederland bevindt zich een van de merkwaardigste plekken van Europa. Men voelt er de adem van de Europese geschiedenis, en als men goed luistert, hoort men er ook een soort voorgalm van de administratieve molens van de Brusselse administratie. Waarschijnlijk lopen nergens anders zo veel belangrijke lijnen samen door zo weinig kubieke meters. In het Vaticaan, zegt u? Maar dat is geen plek, dat is een hele stad, en bovendien zijn de interessantste dingen daar ontoegankelijk.

Hoe komt het tot deze plek in Nederland?

Keizer Wilhelm

Vóór Stalin en Hitler had vrijwel niemand in Europa zo veel persoonlijke macht als Wilhelm II. von Hohenzollern, Prins van Oranje, koning van Pruisen en keizer van Duitsland. Hij was persoonlijk verantwoordelijk voor talloze positieve en negatieve ontwikkelingen in de aflopende negentiende en beginnende twintigste eeuw, en hem persoonlijk volgden de Duitse soldaten de eerste Wereldoorlog in. Hij was ook een van de eersten die aanvoelden dat de moderne, door elkaar in sneltreinvaart opvolgende technologische ontwikkelingen gedreven maatschappij verlangt naar megastars in een entourage vol high-tech-glamour. Hij wás de eerste internationale megastar en heeft zichzelf bewust als zodanig geënsceneerd. De wereld en, ja, ook Nederland zou zonder zijn toedoen nu anders eruitzien – of men dat nou goed vindt of niet.

Wilhelm was telg van een dynastie die al eeuwenlang zeer bewust bezig was, Pruisen, en later Duitsland, een moderne vorm te geven. Zijn voorouders hebben hun onderdanen uit de modder getrokken, de folter afgeschaft, de macht van de kerk gebroken, de vrijheid van denken gestimuleerd en tolerantie beleden lang voordat zoiets in andere landen, op Nederland na, denkbaar was. Het gebeurde niet onder hen – zij hebben het gedaan. Ze hebben ook veel domme en vreselijke dingen gedaan, wat gezien hun verlichte visie bijzonder verontrustend is.

Wilhelm was stamhouder van een familie die, door een aantal huwelijken nauw verwant met het Huis van Oranje, sinds het eind van de dertigjarige oorlog zeer bewust Nederlandse denkbeelden en Nederlandse cultuur naar Duitsland heeft geïmporteerd. Dankzij de Hohenzollern ziet men niet alleen overal in Berlijn en Brandenburg de producten van Hollandse waterbouwers en verwijzingen naar Oranje, dankzij hen is ook de Nederlandse tolerantie al lang geleden doorgedrongen naar Duitsland. Beatrix zou trouwens niet in Paleis Noordeinde kunnen werken als een van Wilhelms voorouders dat pand niet aan Nederland had verkocht voor de sanering van zijn staatsschuld.

Wilhelm was nauw verwant met de heersers van de meeste overige landen, in een tijd waarin Europa door deze familiebanden sterk beïnvloed werd. Hij was bijvoorbeeld kleinzoon van zijn geliefde oma Victoria van Engeland, die hem kinderboeken en kinderkleren stuurde.

Asiel

Na 1918 wilden een aantal regeringen hem berechten vanwege zijn persoonlijke verantwoordelijkheid voor de wereldoorlog met zijn verschrikkingen. Hij kreeg asiel in Nederland. Hij heeft hier, in een klein kasteeltje in Doorn, tot zijn dood bijna even lang geleefd als hij op de Duitse keizertroon had gezeten. En hierheen heeft hij in achtenvijftig goederenwagons persoonlijke familiespullen uit zijn zeventig paleizen laten komen om zich ermee te omgeven. Wat zijn voorouders door de eeuwen heen aan persoonlijke dingen hadden verzameld, staat en hangt in dat kasteeltje nu allemaal bij elkaar in een verbijsterend klein aantal woonvertrekken. Hij heeft er nog tot 1941 keizer gespeeld, met adjudant en al. Hij heeft er met 40 lakeien hof gehouden tot ver in de tweede wereldoorlog.

Gestolde geschiedenis

Alles staat daar nog op zijn plek. Het kasteel met alle inventaris is dankzij de afloop van de tweede wereldoorlog nu in het bezit van de Nederlandse staat. Men kan er zo binnenlopen en zich door alle kamers laten rondleiden.

Het pand ademt niet alleen de geschiedenis van Europa van de laatste vier eeuwen, het geeft ook een ontroerend beeld van het karakter van zijn merkwaardige laatste bewoner. Men ziet er niet alleen schilderijen en meubels uit privévertrekken van de belangrijkste Pruisische paleizen en dingetjes uit het persoonlijk bezit van Frederik de Grote, men ziet er zeer menselijke foto’s van Victorias dochter en schoonzoon, van de Oranjes, men ziet er kitsch, kunst, hebbedingetjes, brieven, boeken met persoonlijke aanmerkingen, Frederik de Grote als rookverdrijver naast het originele schilderij van hem dat in talloze geschiedenisboeken is afgebeeld – en ten slotte de sterfbedden van de huiseigenaar en van zijn eerste vrouw. De stoel waarop Göring bij zijn bezoek aan Doorn heeft gezeten, ziet men niet: die heeft de huiseigenaar laten verbranden.

Dat geheel vormt geen museale collectie; het is niet meer en niet minder dan een woonhuis vol zeer persoonlijke voorwerpen geërfd van een zeer persoonlijke familie. Dit geheel werpt op een even verrassende als ontroerende manier licht op de Europese geschiedenis, de banden Nederland-Duitsland en op het karakter van een van de meest problematische figuren van deze wereld. Huis Doorn is gestolde geschiedenis, ingedikt op een paar kubieke meter.

Men kan Huis Doorn op vier manieren bezoeken.

Verbazing

Men kan er gewoon gaan kijken en zich vergapen aan al die merkwaardigheden en bizariteiten uit het leven en de familie van zo’n man. De snuifdozenverzameling van Frederik de Grote naast de twijfelachtige resultaten van de poging van de huisheer, even mooie cigarettenetuis te verzamelen. Een ultramoderne badkamer met stromend warm en koud water, bidet en al, maar dan zonder wastafel, want waswater werd door lakeiën in een lampetkan gebracht. Een knus hoefijzer boven de deur van een keizerlijke eetzaal met porselein, zilver en kristal van onschatbare waarde. De telefoon waardoor de adjudant van de allerhoogste asielzoeker contact hield met de internationale wereld. Een onthutsend truttige slaapkamer met daarin een superlelijke Delftsblauwe vaas, het enige kado van Wilhelmina.

Verwondering

Men kan ook gaan kijken en zich verwonderen: hoe kómt het dat dit hier allemaal bij elkaar kon komen, in zo weinig kamertjes? Waarom staan daar ontroerend onnozele kitschvoorwerpen naast gouden serviezen van onschatbare materiaalwaarde, waarvan de Tsaar heeft gegeten? Hoe kwam zo ontzettend veel goud en zilver in dit kasteeltje dat het overgrote deel uit ruimtegebrek op zolder gepropt staat, en hoe komt het dat bijna niemand daarvan wakker ligt? Waarom liet de ex-keizer ondanks zijn uitgesproken afkeer van de Nazis door die telefoon een telegram versturen om de Führer te feliciteren met de inname van Parijs? Bijna ondragelijk persoonlijke haarborstels van de laatste keizerin, waarom liggen die daar nog steeds op de badkamertafel? Waarom hebben de kleinkinderen dat niet al lang weggehaald? Waarom staat op een steenworp afstand in een gebouwtje in de tuin een kist met een lijk dat na bijna 60 jaren nog steeds niet ter aarde besteld is, naast herdershonden die dat wél zijn, met zerk en al? Terwijl Seyss-Inquart toch per se een krans moest sturen voor de begrafenis. De verhaallijnen uit “De ontdekking van de hemel” vallen in het niet, vergeleken met wat hier in Doorn is verstrengeld.

Levendige geschiedenis

Men kan het huis ook efficiënt inzetten ter illustratie van geschiedenislessen. Men moet alleen goed kijken. Wilhelm ligt daar dus sinds 1941, nog steeds opgebaard, naast zijn keurig begraven honden. De door hem zo bewonderde Frederik de Grote wilde in 1786 juist naast zijn windhondjes begraven worden, maar dat is hem pas in 1991 gelukt. Zo lang wilde men Frederiks kist liever naast die van diens vader aan het volk tonen. Eerst in Potsdam, maar toen daar eeuwen later de Russen kwamen, werden de kisten met hulp van de Amerikanen naar een sprookjeskasteel in Zuidduitsland gebracht en noch dichter naast elkaar geplaatst – terwijl de twee inliggenden elkaar een leven lang openlijk gehaat hadden en toch samen dát Pruisen groot hadden gemaakt dat Wilhelm heeft weten te verkwanselen. Hij wil niet in buitenlandse aarde begraven worden, maar ook niet terug naar Duitsland voordat dat weer keizerrijk is. Terwijl Frederik juist als resultaat van de Duitse Eenwording in 1991 eindelijk rust vond bij zijn hondjes. Hoe kón dat? Waarom moest het zo gebeuren? Hoe is het mogelijk dat ook nog een beslist anti-monarchistische, sociaal-democratische regering van een failliete Republiek van Weimar begin jaren twintig heeft besloten deze poppenkast te financieren met miljoenen per jaar? Het heeft allemaal zijn oorzaak, en tot op de dag van vandaag voelen we de nawerkingen van deze oorzaken. Noem een thema, en de kans is groot dat men dit daar in Doorn ter plekke tot leven kan verwekken. Het huis bevat genoeg voor eeuwen thematische wisseltentoonstellingen.

Psychologie

Ten slotte kan men in het huis de psychologie van de macht analyseren. Het geeft een gedetailleerd beeld van de manier van denken van iemand die ooit ongelofelijk veel macht had en daar zeer bewust mee bezig was. Hij groef antieke skulpturen uit en schreef daar niet onverdienstelijke boeken over, maar las in Doorn ook duizenden detective-romans en zaagde tienduizenden bomen in stukken. Hij had een schilderij van zijn gehate moeder boven zijn werkplek. Op zijn nachtkastje ligt het tijdschrift “Mensch und Hund”, en toevallig ligt daar ook een geïllustreerd tijdschrift met de reclame voor een nieuw roman over Mussolini. Wilhelm was even gek op uniformen als Göring, en toch mochten de twee elkaar niet. Er hangt ook een uniform dat hij had laten maken voor de feestelijke terugkomst naar Berlijn na de verloren wereldoorlog. Hem was niet makkelijk bij te brengen dat daar niemand op hem zat te wachten en vooral dat geen soldaat hem zou volgen. Hij leefde decennia na zijn val in dat biotoopje, met adjudant, dagelijkse situatiebesprekingen, audiënties, en hij verkleedde zich vier keer per dag in andere uniformen. En hij, wiens familie altijd zo gehouden had van Nederland, stuurde uit Nederlands asiel dat ontzettende telegram naar de Reichskanzlei. Buiten het pand mocht hij alleen in burger rondlopen en Doorn mocht hij alleen een enkele keer met toestemming van Den Haag verlaten. Op zo’n aangevraagde wandeling in de bossen rond Amerongen trof hij 1941 een jonge Duitse soldaat. “Weet u wie ik ben? De keizer van Duitsland.” – “Keizer? Die ken ik niet.” En paar weken later was hij dood. Begraven is hij volgens zijn eigen wens nog steeds niet.

Naar de vergetelheid

Dat alles kan men daar tot zich laten doordringen. Niets is veranderd. Alleen de boeketten worden regelmatig ververst door vrijwilligsters, die je op diskrete manier rondleiden.

Misschien omdat alles wat aan Duitsland herinnert in Nederland niet erg in trek is, werd Huis Doorn met rust gelaten. Als bekend zou zijn wat daar allemaal te zien is, zouden er dagelijks lange rijen staan. Het is wellicht aan de terughoudendheid van de conservator en zijn medewerkers te danken dat Huis Doorn zich niet ontwikkeld heeft tot een tweede Efteling. Genoeg materiaal voor griezelshows en sprookjesbossen was er, en deze attracties had men natuurlijk van tijd tot tijd moeten aanpassen aan de technische vooruitgang.

Misverstand en onbegrip

De raad voor cultuur echter wilde dit huis per 1 januari 2001 laten sluiten, en de staatssecretaris stond onlangs op het punt, de inventaris te doen verkopen. Omdat “de collectie” (het is helemaal geen collectie, het is een woonhuis waar nog steeds alles op zijn plek staat) “niet uniek” is, “te eenzijdig” en omdat het “te weinig met Nederland te maken” zou hebben. Vier totale misverstanden bij elkaar, waarvan de laatstgenoemde de meest tragische is.

Ervan afgezien dat Huis Doorn een plek van Europese dimensie is en nationale gevoelens overstijgt, ervan afgezien dat zijn laatste bewoner een heuse Prins van Oranje was, heeft, om maar één voorbeeld te noemen, het feit dat de wereldberoemde rococo-snuifdozenverzameling van Frederik de Grote thans op de Utrechtse heuvelrug, in een ingeslapen kasteeltje, staat en niet in Potsdam te midden van stromen van schuifelende Amerikanen en Japanners, alles met Nederland te maken. Die porseleinen doosjes hebben als het ware hun weg hierheen gezocht, ze zijn niet door een onnozele toeval hier aangespoeld en niet door een alerte museumdirecteur bij een boedelveiling op de kop getikt. – Maar dat is stof voor een verhaal apart.

De raad voor cultuur sloeg ook nog aan het vergelijken en vond dat men aan Het Loo al genoeg heeft. Het Loo is echter iets totaal anders: een prachtig gebouw dat men eerst helemaal leeg heeft gehaald om er vervolgens een tentoonstelling van meubels uit verschillende stijlperiodes in te plaatsen. Over geschiedenis en over interessante personen vertelt het weinig. Tot nadenken en het stellen van vragen moedigt het nauwelijks aan. Tippen aan Doorn kan alleen maar een hokje in de remise. Daar vond een ontroerend autootje dat Claus voor zijn kinderen heeft gemaakt zijn plek naast de gaskinderwagens (ja: gaskinderwagens, het bestaat echt) die één generatie eerder voor de prinsessen gemaakt werden.

Men wilde Huis Doorn dus sluiten en het inventaris verkopen. Gelukkig is dat niet doorgaan, het kon ook niet, want de Nederlandse staat had zich ooit verplicht om het altijd te bewaren en toegankelijk te maken. Alweer zo’n schrijnend misverstand dus.

De staatssecretaris wilde ondertussen “de collectie” bewaren, “of dat nu in Huis Doorn is of elders”. Elders? Hoe kan men het verzinnen?

Het einde?

Laten we eens aannemen dat de verkoop was doorgegaan. De voorwerpen en documenten die daar organisch bij elkaar zijn gekomen, waren dan misschien in alle windrichtingen verstrooid. De Tweede Hoofdwet van de thermodynamica maakt het zo goed als onmogelijk, dat ze ooit weer bij elkaar komen. Een enkele historicus zal af en toe een paar brieven in een archief van een historisch instituut van een onduidelijke Amerikaanse universiteit kunnen raadplegen. De gouden borden zullen de dis van een ondernemer opluisteren. Een enorm indringend, grijpbaar stuk gestolde geschiedenis is dan voor goed verloren. Zo’n beslissing had wel iets gehad. Als een onverschrokken staatssecretaris het concertgebouworkest zou laten opheffen, dan komt dat gewoon een paar jaar later weer terug, en met een goede dirigent is het niveau binnen de kortste keren weer op peil. Daar kan zich geen politicus een blijvende naam mee verwerven. Even zag het ernaar uit dat R. van der Ploeg de geschiedenis wilde ingaan als degene die dit onvergelijklijke stuk goed bewaarde geschiedenis onherroepelijk had uitgewist.